Ik scroll terug naar de laatste keer dat ik in mijn digitaal dagboek heb geschreven: vrijdag 20 maart, ruim twee maanden geleden. De episodes tussen twee stukken tekst worden langer, de emoties minder scherp. De tijd vijlt ze bij, omrandt de herinneringen met tolerantie in plaats van beklemming. Het is oké dat ze er zijn, meestal. Maar soms overvalt me nog eensklaps dat gevoel, die gapende afgrond. De kamer die plots rond me lijkt te tollen terwijl ik van duizelingwekkende hoogte naar beneden val, een leeg niemandsland tegemoet.

Onlangs nog, toen we op controle moesten bij de pediater – routinecontrole heet dat dan – en de dokter tussenin een telefoontje kreeg vanuit het labo. Iets over een afwijkend aantal bloedcellen en contact opnemen met dokter X in het UZ Gent, een oncologe op de kinderafdeling, zo wist ik. Het kostte me alle moeite van de wereld om mijn gezicht voor Mona in de plooi te houden. Om geruststellend naar haar te glimlachen. Na het telefoontje ging de dokter onverstoorbaar verder met het overlopen van Mona’s bloedresultaten op het computerscherm: alle waarden waren prima! Dat telefoontje ging niet over Mona. Het besef sijpelde druppelsgewijs binnen. Mijn handen trilden, de rest van het consult bleef ik die zin in stilte tegen mezelf herhalen, als een mantra. “Het ging niet over Mona.”
Beelden van die eerste dag schoten kriskras door mijn hoofd, flitsen van de rit naar Gent, van de kamer op 5K12D, de schaar dokters en verpleegsters rondom ons, allemaal met diezelfde vriendelijk bezorgde blik, ogen die al (te) veel hebben gezien. Witte jassen en de doordringende geur van medicatie en ontsmettingsmiddel, groene schorten en kapjes –  verplegend personeel uit het operatiekwartier (later door Mona en Beau ‘de kikkers’ gedoopt) – het onophoudelijke zoemen van de ventilatiemotor in dat benauwelijk kleine kamertje op isolatie…
“Het ging niet over Mona.” Intussen zijn we op de parking. We stappen in de wagen, Mona vooraan naast mij, grote meid, mijn prachtige tiener. De slagboom gaat open en we laten het ziekenhuis achter ons, samen met de schrikbeelden van een acuut met het heden verweven verleden.

Een paar weken geleden is het al, dit ‘voorval’, al dekt die term de intense lading van dat ogenblik niet. Ook dit onwerkelijk moment heb ik kunnen plaatsen, in de rij van dingen die nooit meer hetzelfde zullen zijn. Want hadden we dit niet meegemaakt, dan zou ik niet eens geweten hebben dat het woord dat de pediater gebruikte op een bepaald type bloedcellen duidde, laat staan dat ik wist wie dokter X in Gent was of dat die überhaupt op de afdeling kinderoncologie werkte en dat die afdeling een op zich vrij onschuldige naam heeft als 5K12D, waardoor je bijna zou verwachten in een ordinair klaslokaal binnen te wandelen in een vijf verdiepingen tellend schoolgebouw. We zouden natuurlijk al niet bij de pediater gezeten hebben voor een routinecontrole in de eerste plaats.
Ik weet wel dat dergelijke redeneringen in principe nergens toe leiden – het zijn alleen maar cirkeltjes in je hoofd – maar dat verhindert mijn geest er niet van om af en toe van die venijnige gedachtesprongetjes te maken. Alsof iemand geniepige kneepjes geeft in mijn hersenen, zomaar, omdat het kan.

Mijn perceptie op heel wat zaken in het leven is onlosmakelijk verbonden met wat we hebben meegemaakt, waarbij ik wil blijven benadrukken dat het natuurlijk Mona is die alles in volle intentie heeft ervaren. Jammer genoeg vanop de eerste rij, daar waar de klappen het hardst vallen en de weerklank het luidst is. Maar we hebben onze uiterste best gedaan om als een front voor haar te gaan staan, in de vuurlinie, en om onszelf als levend schild in de strijd te werpen. Dat besef ik nu meer dan ooit. En ook dat we daar niet zonder kleerscheuren of littekens vanaf gekomen zijn.
Vaak helpt het me net om alledaagse dingen te relativeren, al is het maar in die zin dat ik ze wat vaker tegen het licht van het gebeurde houd en dan tot mijn opluchting besef dat ze lang zo bedreigend niet zijn.
Maar een zeldzame keer keert het zich dus ook tegen mij, wanneer de angst als in een spiegel keihard naar mij terugkaatst en ik mezelf ervan moet overtuigen dat het allemaal voorbij is, nu. Wat blijft is de herinnering, mentaal en lichamelijk.
Dat laatste viel me maar weer eens op toen ik gisteren wakker werd met verkrampte schouders, mijn armen over mijn borst gekruist, in foetushouding. Het voelde alsof ik een ganse nacht gevochten had, mijn armen als een afwerend schild voor me, tegen de kwaadaardige buitenwereld. Maar hoe langer ik erover nadacht, hoe meer ik besefte dat het net de omgekeerde beweging was. Dat ik mijzelf in een soort verstikkende omhelzing gevangen hield om te voorkomen dat alles naar buiten zou vloeien. De angst, het verdriet, de pijn, de wat-als gedachten. En dat terwijl ik dacht dat ik op dat vlak toch wel goed bezig was, met loslaten.

Dat was dan ook de insteek waarmee ik vandaag beginnen schrijven ben. De intentie om een vervolg te breien aan dit dagboek, omdat de nood zich opeens terug laat voelen. Want dat leer ik gaandeweg. Het is niet omdat ik wil dat dit allemaal voorbij is, dat het ook daadwerkelijk zo is. Het zal nog af en toe in my face gesmeten worden. Als Mona last heeft van pijn aan haar been, als ze halverwege een fietstocht of wandeling klaagt dat ze moe is en ik mij afvraag of dat een gebrek aan volharding is of een gevolg van… Blauwe plekken die ik niet direct kan thuiswijzen, reportages op televisie of in een tijdschrift, een datum, een beeld, een geur, een opmerking…

Sommige dingen zitten nog diep vanbinnen, omhuld met zorgvuldige laagjes zelfbehoud, als plasticfolie om rauwe voedingswaren in de koelkast, omdat ze de andere zaken niet zouden bederven. Af en toe pulk ik zelf een verpakking open of valt er onverhoeds iets uit het koelvak en dan moet ik ermee aan de slag. Het terug opbergen is geen optie, want eens het aan de buitenlucht is blootgesteld, begint het te rotten.
Dus neem ik mij voor om mijzelf nog steeds – af en toe – te omhelzen, bewust ditmaal. Mijn armen kruiselings om mij heen te slaan en een kneepje te geven in mijn beide schouders als om te zeggen: het is goed zo. Laat het nu maar los. Laat mij nu maar los.

Het zijn bizarre tijden. Wat enkele weken geleden nog een ver-van-ons-bed show was, overschaduwt ons opeens met de accuraatheid van een degelijk mondmasker. Corona, overal slaan ze ermee om onze oren. TV, radio, de kranten, op het werk, in de scholen… Onze wereld wordt noodgedwongen gereduceerd tot de muren van ons huis, misschien nog net de tuin eromheen en de virtuele link met de buitenwereld – if you’re lucky. Telewerk wordt de nieuwe norm, thuisonderwijs een opgedrongen maar logische keuze. Boodschappen doen is een huzarenstukje, waarbij je je in een landschap van geplunderde rekken en argwanend kijkende medemensen beweegt, onder het toeziend oog van de winkelbediende de gedeukte verpakking, die je anders meewarig zou teruggelegd hebben, schuldbewust in je niet te volle kar laat zakken.

Misschien niet zo onlogisch dat ik meteen de link leg naar die eerste maanden met Mona in het ziekenhuis, toen we ook eensklaps van de ene op de andere dag in een wereld vertoefden die de onze niet was. Buiten scheen de zon onverbiddelijk – het was een bloedhete augustusmaand in 2016 – binnen was het kil, beangstigend. Wij met twee – vaak drie – tussen vier muren; het zoemen van de ventilatie, het sas dat onze kamer op isolatie van de gang en vervolgens van de rest van de afdeling scheidde. Gelukkig hebben we daar niet heel erg lang verbleven. Voor de volgende opnames konden we in een gewone kamer terecht, of zelfs in het dagziekenhuis, waar we een panoramisch uitzicht hadden op de zonsop- en ondergang en de ’s avonds chemisch blauw verlichte Ghelamco arena.
Maar ons leven speelde zich af achter de schermen, angstvallig beschut tegen invloeden van buitenaf. Soms zaten we een hele dag samen in één kamer en wisselden nauwelijks een paar woorden. En op andere dagen werd er – ondanks alles – gelachen, gehuild, gepraat, terug gezwegen. Quarantaine is een begrip ons wel bekend, maar niet bemind.

En toch… die eeuwige tweespalt. Het terugplooien op jezelf kan ook louterend zijn. Het is iets waar we anders in ons jachtige leven niet toe komen. Tijd nemen om na te denken. Tijd krijgen om na te denken. Bijna te veel tijd hebben, waardoor je die wanhopig begint in te vullen, om toch maar niet te hoeven nadenken…
En dat is de vraag die we nu – in dit hectische en tegelijk vertragende coronatijdperk – voor onszelf moeten beantwoorden: wat doen we als we opeens tijd krijgen? Hoe voelt het om activiteit na activiteit, feestje na feestje, afspraak na afspraak uit onze agenda te wissen en eensklaps met een quasi blanco pagina voor onze neus te zitten? En dan heb ik het uiteraard niet over het werk – want voor de meesten blijft die agenda zich gestaag vullen – en over onze plotse upgrade tot thuisleerkracht.
Het betreft die andere agenda – die waarmee we onze avonden en onze weekends inkleuren. De sportactiviteiten van de kinderen die wegvallen, ons wekelijkse uitstapje naar de fitness, de lunches en diners en fuiven en gewone ‘op-den-bots’-afspraakjes en bijeenkomsten met vrienden en familie. Alles moet wijken. Onze vrije tijd moet wijken voor… oningevulde vrije tijd. Dagen die niet gepland zijn, die niet volgens een vast stramien verlopen. Hoe vul je die in godsnaam in? Wat doen we tegenwoordig als we niets te doen hebben?

Ons vervelen is een kunst die we onszelf gaandeweg hebben afgeleerd. Activiteiten moeten zinvol zijn, anders zijn ze de benaming niet waardig. Er moet een zeker vorm van actie – vooruitgang – in zitten of op zijn minst mee beoogd worden. En laat dit nu net het mooie zijn van wat er de laatste dagen aan het gebeuren is. Alleen deze avond al werd ik bestookt met allerhande filmpjes en posts van absurde activiteiten. Je kan het zo gek niet bedenken of de een of andere inventieve geest heeft er zich mee bezig gehouden én zich de moeite getroost zijn hilarische stunts of hersenspinsels online te zetten. Van een sokpop die als een volleerde pacman auto’s opschrokt voor het raam tot een fuivende DJ die de kookplaten van het fornuis als hippe draaiset gebruikt – het lampje van de dampkap fungeert als stroboscoop.
En dan zijn er uiteraard nog die andere initiatieven. Vrijwillige burgers die meteen in actie komen om zich in deze moeilijke tijden in te zetten voor de meest kwetsbaren onder ons. Het ene vrijwilligersplatform naast het andere duikt op, helpende facebookgroepen schieten als paddenstoelen in de gardenscapestuin uit de grond. Hier in onze straat werd vrijdagavond klokslag 20u “I have a dream” gezongen, vanuit de garage van de buurman, onder begeleiding van kerkklokken, gitaar en kletterende regen. Ondanks de versterker die hij had ingeschakeld, moest je goed luisteren maar velen deden daar effectief de moeite voor. Want nu hebben ze tijd. En zin. En ze willen betekenis geven aan een anders zinloze periode van inactiviteit.

Zingeven – zin geven – dat is iets wat je zelf doet. Je kiest ervoor of niet. Wij hebben het al eens eerder gedaan, we doen het nu opnieuw. En weet je, het gaat zelfs een stuk makkelijker, eens je weet hoe het moet. De inwendige discussie is er ditmaal niet, merk ik bij mezelf. De waarom-vraag. Waarom gebeurt dit? Geen idee, nog niet bij stilgestaan. Het gebeurt gewoon, daar kan je niets aan veranderen. Maar wat ga ik ermee doen? Hoe ga ik die extra tijd benutten?
Om te beginnen door het te zien als extra en niet als iets wat ze van ons hebben afgenomen. Extra tijd voor de kinderen, om eindelijk nog eens een blog te schrijven, om mijn boekenkast aan te spijzen, te koken, te sporten (want dat mag nog als het in de vrije natuur is), te wandelen, te genieten van de eerste voorjaarszon…
Life and love, it’s all about perception.

“Een pleister moet je altijd met een korte, snelle ruk verwijderen.” Een bewering uit mijn kindertijd die jarenlang is blijven hangen. En die complete – excusez le motbullshit is. Zowat alles aan die stelling is verkeerd – zeker als het over emotionele pleisters gaat – maar dan nog. Geen enkele verpleegster in het UZ Gent haalde het ooit in haar hoofd om één van Mona’s verbanden er in één krachtige beweging af te halen. Dat verwijderen ging gepaard met zachte stemmen, geruststellende woorden, doelbewuste maar voorzichtige rukjes aan de zijkanten van de plakker tot er een hoekje loskwam, vervolgens een volledige rand en ten slotte het hele hinderlijke ding. Ik hoef mijn ogen niet te sluiten om de scherpe geur van ontsmettingsalcohol te ruiken. Om het beeld van de lichtroze huid voor me te zien, waar de pleister een rechthoekige afdruk had gelaten. Zelfs op die omzichtige manier was het een herhaalde marteling. Een moment waarop we ons zaten te verbijten, Mona in het bed, wij ernaast. En hoewel Mona nooit wilde dat de verpleegster tot drie aftelde, telde ik in stilte de seconden tot het voorbij was, voor haar. Voor ons.

We zijn bijna drie en een half jaar verder nu. De wonde gaapt niet langer. Ik heb niet meer bij elke beweging het gevoel dat ik het vlees terug openrijt en er opnieuw bloed vloeit. De tijd heeft met voorzichtige steken de rafelige randjes terug bij elkaar gebracht, de wonde gezalfd met hoop en geloof, misschien een beetje schuchter vertrouwen zelfs. Beetje bij beetje ben ik de pleister gaan verwijderen. Eerst een hoekje angstvallig losgepeuterd. Teruggekleefd. Zou ik… Durf ik… Mag ik… Toch…? En toen dat wonderbaarlijk genoeg lukte, waagde ik mij iets verder, tot er plots een hele zijkant losschoot en ik een blik kon werpen op het litteken onder het verband. Mooi was het niet. Is het niet. Zal het ook nooit zijn. Littekens van die aard kunnen per definitie niet mooi genezen zijn. Maar ze kunnen wel helen. Vervagen. Ze kunnen verworden tot iets wat je tekent. Iets wat betekenis geeft aan de beslissingen die je in je verdere leven neemt.

Ik denk dat ik vandaag kan zeggen dat de pleister volledig weg is. Dat ik de laatste hardnekkige restjes lijm met mijn nagels heb weggepeuterd en de huid rondom ontsmet. Ik kan vandaag kijken naar die lichtroze, jonge huidlaag, er met mijn vingers over strelen en de zon toelaten er haar stralen op te werpen. Misschien brengt de zomer zelfs een beloftevol nieuw kleurtje.

Communicatie als HSP*-er is geen lachertje. Het probleem stelt zich vooral in het feit dat communicatie op zoveel verschillende niveaus gebeurt. Als HSP ervaringsdeskundige kan ik ervan getuigen hoe moeilijk het is om uit te maken wat iemand nu eigenlijk hoofdzakelijk wil zeggen. Want waar iemand er misschien onder collega’s mee wegkomt met te zeggen dat het ‘helemaal geen probleem is dat haar voorstel niet werd weerhouden’, voel ik op datzelfde moment de teleurstelling die onder die mededeling schuilt en slorp deze als een spons onmiddellijk op. En zo gaat het met alle gelijkaardige voorvallen. Iemand zegt iets zus maar bedoelt het naar mijn aanvoelen zo en het wordt op den duur een huzarenstukje om al die schijncommunicatie en verborgen boodschappen te ontcijferen.

Ik heb er jarenlang mee geworsteld. Zo erg zelfs dat ik aan mezelf ging twijfelen. Was ik dan echt té gevoelig? Was ik dan diegene die moest leren eelt op haar ziel te kweken en me niet zo moest aanstellen? Ik vergelijk het graag met de filosofische gedachte van de boom die valt in een verlaten bos. Maakt de vallende boom geluid als er niemand is die hem kan horen vallen? Bij mij is het precies het omgekeerde. Elke seconde vallen er in mijn hoofd tien bomen om, maar ik lijk de enige te zijn die het hoort, waardoor ik me afvraag of ik het mij misschien maar inbeeld. Zijn al die prikkels er daadwerkelijk als ik de enige ben die ze opmerkt?

Intussen wéét ik dat ze er zijn. En dat het geenszins mijn verbeelding is die mij parten speelt. Ik zie, hoor, voel, ruik nu eenmaal driedubbel zoveel als de gemiddelde persoon (die we voor het gemak dan maar de niet HSP-er zullen noemen). Als ik een kamer binnenwandel waar twee mensen tegenover elkaar zitten, hoor ik meteen de ijzige stilte, voel ik meteen de kille sfeer, zie ik aan de verkrampte schouders en de snel neergeslagen blikken dat er een ferme haar in de boter zit, al wordt er nog zo overtuigend mogelijk geglimlacht en over koetjes en kalfjes gepraat.
Alles komt bij mij zoveel luider en overweldigend binnen. Dan is het niet verwonderlijk dat dit gevoel je kan verlammen. Meer dan eens ben ik zo’n kamer stotterend terug uitgelopen, met een rood hoofd en vol zelfverwijt, omdat ik niet normaal kon reageren. Als ze beweerden dat er niets aan de hand was, dan zou dat wel zo zijn zeker? En dan was ik diegene die problemen zocht waar er geen waren.

Het was dan ook zo’n verademing om op een dag te horen dat ik met mijn gevoel niet alleen ben. Dat er een naam bestaat voor de antennes waarmee ik geboren en getogen ben. Pas vanaf dat moment leerde ik mijn voelsprieten te zien als een gave. Als een manier om dingen bloot te leggen die anderen niet opmerken, waardoor ik er ook adequater op kan inspelen. Helaas neemt niet iedereen dat in dank af. Er rust een groot taboe op het open en bloot laten zien van je emoties. We zijn er doorheen de jaren zo goed in geworden onze ware gedaante te camoufleren maar ten koste waarvan? Ten koste van onze eigenheid, van ons contact met ons diepste zelf. Nog nooit waren er zoveel mensen met burn-outs, depressies en existentiële crisissen als vandaag. We zijn er zo goed in geworden onszelf te verbergen dat we zelf niet meer weten wie we zijn. En dat is iets wat ik nooit meer wil meemaken. Ook ik ben in die val gelopen. Net door mijn anders zijn, had ik het gevoel dat ik mij moest aanpassen. Dat ik mij meer volgens de norm moest gaan gedragen. En dus voegde ik mij naar wat ik ‘de norm’ achtte en vergat ik (bijna) wie ik was.

Tot mijn dochter zwaar ziek werd en ik noodgedwongen tegen de grenzen van dit eindige leven aanliep. Op dat ogenblik heb ik beseft dat niets of niemand het waard is om jezelf te verloochenen. Op het moment dat mijn wereld heel klein werd, drong het heel helder tot mij door. Dit leven, wie we zijn, is onze grootste kracht. En het is uit die kracht dat we moeten putten om iets op te bouwen. Vanaf dat moment ben ik milder geworden voor mezelf en van daaruit ook toleranter voor mijn omgeving. Ik kan nog steeds overweldigd worden door de gevoelens van anderen. Het blijft een constante evenwichtsoefening om anderen voldoende toe te laten zonder het gevoel te hebben mezelf te verliezen. Maar het is al heel wat dat ik me bewust ben van mijn gevoeligheden en dat ik er ook naar handel.
Ik durf nu ook zover te gaan dat ik mensen aanspreek op wat ik voel, eerder dan op wat ze mij vertellen. En gelukkig heeft dat ook al tot mooie verbintenissen en vriendschappen geleid. Want ondanks onze neiging om onszelf te verbergen, leeft bij velen blijkbaar toch de behoefte naar erkenning van wie ze écht zijn. En dan kan het zo’n deugd doen dat iemand je ook daadwerkelijk op die manier benadert.

Ik kan maar één goede raad geven en dat is om je gevoel te volgen. Als er iets is wat ik in al die jaren heb geleerd, dan is het dat mijn gevoel mijn meest betrouwbare richtingaanwijzer is. Dus maak ik er dankbaar gebruik van, zelfs al betekent dit dat ik af en toe met mijn kop tegen de muur loop. Als het een troost kan zijn, zolang jij niet diegene bent die muren om jezelf heen bouwt en die spreekwoordelijke muur aan iemand anders toebehoort, ben je op de goede weg!

*HSP = High Sensitive Person

In de vroege uurtjes van deze ochtend – een uitgelezen tijdstip zo blijkt maar weer om invallen voor mijn blog te krijgen – besefte ik dat er een verhaal is dat ik al heel lang uitstel om neer te pennen. Al is deze bewering niet helemaal correct, ik ben er eigenlijk al lange tijd mee bezig maar dan in de vorm van een dagboek. Een dagboek dat start op 18 augustus 2016. De dag dat ons leven voorgoed werd opgesplitst in voor en na het L-woord.

Op dat moment – die eerste dag – was het mijn laatste houvast. Een papieren strohalm. Ik zie mezelf nog op het zetelbed in het ziekenhuis zitten, met het oplichtend scherm van mijn iPhone voor mijn gezicht. De kamer verduisterd, de gloed van de straatlichten die onder de gordijnen door sijpelde. Naast me het verhoogde bed waarin Mona onrustig sliep, nog niet gewoon aan het piepen van de monitors en de kabel die uit haar dunne armpje liep. Het voelde zo onwerkelijk. Ik had maar één gedachte op dat moment en die wilde ik in woorden vastleggen. En spontaan werden die woorden enkele zinnen. En de volgende dag opnieuw. En opnieuw. Dag voor dag, bijna één jaar lang, heb ik elke dag geschreven. Soms maar enkele woorden. Eén gedachte, een ingeving, iets wat blijven hangen was van de dag. Of een frustratie die eruit moest, tranen die ik niet kon plengen, die in woorden op papier vloeiden.

Na dat jaar ben ik blijven schrijven aan mijn dagboek. Vaak met langere tussenpozen, wanneer de nood daar was. Ik denk dat het vooral tijdens die eerste periode een soort houvast was. Een manier om vat te krijgen op het onvatbare, alsof ik er door het te beschrijven toch enigszins controle over had. En dan bedoel ik niet alleen controle over mijn gevoelens maar evenzeer over wat er allemaal gebeurde. Het was een van de andere ouders die me er één van de eerste dagen in het ziekenhuis op aansprak. Iemand die al veel verder in het proces stond en die vertelde dat zij zich zelfs niet meer kon herinneren wat er allemaal op haar afkwam in het prille begin. En dat ze wilde dat ze dat ergens had opgeschreven. Ik heb haar nooit gevraagd waarom, ik begreep meteen wat ze bedoelde.
Ook al voelde dat dagelijkse schrijven soms als een opgave, het was gewoon iets wat ik moest doen. Ik kon niet anders. Ik was het aan mezelf en aan Mona verplicht. Want ooit, zo dacht ik, ooit zouden mijn woorden van nut zijn. Voor haar, voor mezelf of voor lotgenoten. Ooit zou ik met dit dagboek iets doen. Als de tijd er rijp voor was.

Intussen schrijf ik er nog steeds in. Al mijn blogteksten vloeien voort uit dit dagboek. Stilaan groeit het besef dat wat ik er nu in schrijf helemaal niet los staat van de reden waarom ik toen, die dag, beginnen schrijven ben. Dus het is zeker niet misplaatst om hier verder te schrijven. Wat moeilijker ligt, is om terug te bladeren. Helemaal terug naar die eerste pagina, die eerste paar woorden, die zinnen werden. Die een verhaal werden. Een heel lastig en lijvig verhaal. Een verhaal waar ondanks alles ook hoop uitspreekt – dat weet ik, want ik herinner me ook dat het schrijven me soms de nodige moed gaf om door te zetten.
Maar tot op vandaag kan ik het nog altijd niet, terugkeren naar het begin. Ik heb het één keer geprobeerd. Het stukje dat ik op 18 augustus 2016 neerpende herlezen, voelde als een gemene vuistslag in mijn maag. De woorden gonsden van herkenning en tegelijk voelde het ongelooflijk vervreemdend. Alsof iemand anders ze daar in mijn plaats had neergeplant, plompverloren, want zo voelde ik mij op dat moment.
De tranen die ik nog altijd ergens goed verborgen houd – zo goed dat ik ze vaak zelf niet weet te vinden – prikten achter mijn ogen. Dat was het moment waarop ik wist dat de tijd er nog niet rijp voor was om dit verhaal te schrijven. Het is nog te vers, het maakt nog te veel deel uit van ons leven.

Ik hoop dat ik er op een dag de moed voor kan opbrengen om ook dat stuk van ons verhaal met anderen te delen. Want net in alle onmacht hebben we onze diepste kracht leren vinden en onder het verdriet hebben we verborgen vreugde ontdekt. Het genieten van de kleine dingen die alles de moeite waard maken. Ik hoop dat ik er ooit in slaag om het verhaal van het L-woord te lezen vanuit die kracht en dat ik er dan de waardevolle inhoud uit kan destilleren. Tot die dag zal ik alles zorgvuldig bewaren. Als een fles rode wijn, die ik af en toe eens omdraai en tegen het licht houd om te laten rijpen. Als Mona oud genoeg is om hem te proeven, wil ik dat hij volmaakt is.

In mijn zoektocht naar wat mij energie geeft, moet ik noodgedwongen ook op zoek naar mijn energievreters. Dingen die – bewust of onbewust – aan mijn gedachten knabbelen en om het hardst schreeuwen om gehoord te worden. Of net stiekem in mijn oor fluisteren, hun geniepige best doen om op mijn gemoed in te werken en er terug een flinke deuk in te maken.

De aha-erlebnis trof me op een ontiegelijk uur in de ochtend. De zon – zeker in deze periode van het jaar, waarin ze haar licht zoveel korter over ons doen en laten laat schijnen – draaide zich nog eens behaaglijk om in haar hemelbed, maar ik was wakker. Klaarwakker van geest althans, lichamellijk besloot ik nog een beetje te doen alsof ik sliep, misschien kon ik mijn eigen lijf wel om de tuin leiden en viel ik terug in slaap. U wish…

Daar lag ik dus, in het duister, met wijdopen ogen en wijdopen gedachten. Het uitgelezen moment om een openbaring te krijgen. An epiphany, één van de woorden die in het Engels toch veel sprookjesachtiger klinken. Epiphany, ik maak me spontaan een voorstelling van een vederlicht elfje dat met een magisch toverstokje mijn hartenwensen komt vervullen. Maar goed, ik dwaal af van de kwestie.

In verwoede pogingen mijn geest lam te leggen en de slaap terug te vatten, merkte ik op dat ik steeds op hetzelfde punt in de knoop geraakte. In mijn hoofd wikkelde zich een verhaallijn af – iets wat ik daadwerkelijk heb meegemaakt – maar telkens op het punt gekomen waar het verhaal een einde moest krijgen (nog in het midden gelaten of dat nu goed of slecht was), liep ik vast. Uiteraard omdat dit mij ook in real life zo overkomen is en er dus ook geen echt einde voor het verhaal bestaat. En dat was nu net hetgene wat me zo dwarszat. Hoe ik ook probeerde om er zelf een vervolg aan te breien, welke uitkomst ik ook voor het verhaal bedacht, het klopte voor geen meter. Met als gevolg dat ik geen rust kon vinden. Een verhaal zonder einde en het lukte me niet er zelf een einde voor te vinden waar ik mij goed bij voelde…

Aanvankelijk begreep ik het niet goed. Waar schrijven vaak de oplossing is en het mij helpt om het leven in perspectief te zien, liet dat vermogen om de dingen in een pasvorm te kneden me nu volledig in de steek. Integendeel, ik werd kwaad en nerveus omdat het mij niet lukte mijn gedachten naar een volwaardig einde te leiden. Of op zijn minst een uitkomst waar ik me bij neer kon leggen. Ten einde raad nam ik mijn iPhone en maakte een notitie voor mezelf: “unfinished business”.

En met die ongedane zaken ben ik dus nu mijn tekst begonnen. Met het opklaren van de flarden in mijn hoofd en de verlichting die de zon en de dag met zich meebrachten, kwam er een inzicht. Niets wereldschokkends misschien, maar voor mij toch een belangrijk besef.
Het zijn ongedane zaken als deze, die voor mij persoonlijk een grote energievreter zijn. Ze slorpen mijn gedachten op. Telkens opnieuw overdenk ik ze, ga in de bochten van mijn geest op zoek naar oplossingen, waarbij ik veel te vaak een zijweggetje insla of van koers verander om uiteindelijk tot de slotsom te komen dat er geen volwaardig einde is. Geen verlossende finish die me van mijn kopzorgen bevrijdt. Want dat is het nu net met die unfinished business: zoals de naam het zelf zegt, ik ben er niet klaar mee. Niet omdat ik dat niet wil, maar omdat iets of iemand in de weg staat. En als ik niet weet wat het juist is dat me dwarsboomt of als de persoon in kwestie er andere ideeën op nahoudt, wat kan ik dan anders dan proberen mijn geest om de tuin te leiden? Wat kan ik anders dan trachten zelf een verhaal te construeren dat me enigszins rust geeft? Het is een vorm van zelfbescherming. Iedereen heeft behoefte om – na een lange omzwerving – het hoofdstuk te kunnen afsluiten en met frisse moed aan een nieuwe bladzijde te beginnen. En dat bij voorkeur met een tevreden blik achterom. Met fijne herinneringen. Een gevoel van ‘t is goed geweest, nu ben ik klaar voor het vervolg of zelfs een volledig nieuw boek.

Maar zonder afsluiting rest er alleen een wrang gevoel van heimwee. Spijt zelfs. Van willen maar niet kunnen, van eeuwig op je stappen terugkeren en je afvragen waar het is fout gelopen en wat je over het hoofd hebt gezien.
Daar ligt dan meteen de uitdaging voor mij. Gezien er geen kant-en-klare oplossing is en ik er zelf in se niets aan kan veranderen, zit er niets anders op dan te aanvaarden dat sommige verhalen een open einde hebben. Net die openheid maakt het moeilijk om niet steeds achterom te blijven kijken, naar de deur die op een kier staat. Want wat als ik nu toch mijn voet er nog eens tussen wring? Als ik nu nog een laatste keer aanklop en…

Wie zal het zeggen? Wie ben ik om te beslissen wanneer een verhaal is afgelopen, als ik er zelf niet langer de auteur van ben.
En toch zal het moeten, wil ik mijn energie niet verspelen aan nutteloos gepieker. Dus trek ik in gedachten de deur dicht. Misschien vind jij op een dag de sleutel.

Ik heb er ooit een gedicht over geschreven, in een grijs verleden. Over het vermogen van ons brein om zich omzichtig om bepaalde herinneringen heen te wikkelen, om ons de kopzorgen over de ongedane zaken te besparen. En over het geluk dat je kan overvallen als die verborgen verhalen toch opeens een onverwacht goed einde krijgen. “Origami”: enjoy!

 

Origami

 Jij was ergens tussen de plooien
geraakt, verkreukeld

tot ik je achteloos openvouwde
en je met een glimlach

 – ken je me nog?
de plooien glad streek.

(© 2017 In de marge – Elfi Vandenabeele)

Tijdens het luisteren naar de radio deze ochtend, bleef er één zin uit een liedje van Lucas Graham in mijn hoofd hangen. You gave me something to lose. Het trof me omwille van de dubbele betekenis die erin schuilt. Hoe je zoveel met zo weinig woorden kan zeggen. En ook omwille van de herkenbaarheid van het kwetsbare. Want het is waar, hoe mooi het ook is om iets te krijgen van een ander, vanaf dat moment ben je ook uiterst kwetsbaar. Alsof je tegelijk met het verschaffen van het eigendomsrecht, ook de angst inademt om het terug kwijt te geraken.

Als je er bij stilstaat is het met alles zo. Vanaf de dag dat je geboren wordt – het geschenk van het leven ontvangt, om het in bijbelse termen uit te drukken – is er die onlosmakelijke gedachte dat er ooit een einde aan komt. Wat impliceert dat je je uiterste best moet doen er iets moois van te maken.

En dan is er de liefde, dat grote woord dat evenveel vertalingen als verwensingen kent en waar ik na al die jaren nog steeds niet wijs uit geraak. De onvoorwaardelijke liefde die ik voel voor mijn kinderen, de tsunami van emoties die gepaard ging met mijn zwangerschappen, hun geboorte, al hun eerste keren en de confrontatie met mijn grootste angst om te verliezen.

Het is net de immense kracht van de liefde die haar tegelijk tot de meest verpulverende emotie bombardeert. Net daarom dat we in onze andere relaties – partner, vriendschappen, familie – voorzichtiger zijn. Er zijn voorwaarden, de liefde is er geen vanzelfsprekendheid. Want met elk stukje van onszelf dat we delen met de ander, riskeren we het kwijt te geraken. Als er niet goed genoeg voor gezorgd wordt, als het niet met voldoende respect behandeld wordt, als we zonder meer voor lief genomen worden. We zijn in staat om lief te hebben MAAR er moet iets tegenover staan. We willen de garantie dat ons hart in betrouwbare handen is. En laat dat laatste nu net iets zijn, waarin ik al te veel teleurgesteld ben. Dat maakt het moeilijk om mijzelf volledig bloot te geven. Ik heb er jarenlang mee geworsteld, die strijd tussen mezelf durven loslaten en toch niet verliezen. En dat zorgde op lange termijn voor een gevoel van tekortschieten en tekort gedaan zijn. Hoe meer ik mijzelf in stukjes hakte om telkens een beetje meer te kunnen geven, hoe meer ik mijzelf kwijt geraakte. En hoe groter de angst om ook datgene wat ik van de ander kreeg, terug te verliezen.

En toch… ben ik blijven geloven in de liefde. Gelukkig. Dat is misschien wel de belangrijkste les die ik uit de onvoorwaardelijke liefde voor mijn kinderen heb geleerd: net datgene wat ons het meeste angst inboezemt, geeft ons ook de grootste reden tot geluk. Want pas als je de waarde van iets beseft, ben je ook bang om het kwijt te geraken.

You gave me something to lose. Het is een ode aan al diegenen die belangrijk zijn voor mij. Zonder jullie zou ik niets te verliezen hebben. En hoewel verliezen – net als de angst ervoor – pijn doet, het geluk dat ik ervoor in de plaats krijg, maakt het allemaal de moeite waard! Dankjewel om mij een stukje van jezelf te geven. Ik zal het met mijn leven bewaken.

Lucas Graham – Love Someone (official music video): https://youtu.be/dN44xpHjNxE

18 augustus 2019: vandaag dag op dag drie jaar geleden stond ons hart en ons leven stil. De relativiteit van tijd blijft me nog dagelijks verbazen, hoe we na die eeuwig durende uren van wachten toch opeens enkele jaren verder zijn. Vorige week kregen we het bevrijdende nieuws te horen dat met Mona alles prima is, één jaar na de definitieve stop van de behandeling.. We zien haar ook letterlijk openbloeien. De blik in haar ogen – die onbezorgde openheid van voor het L-woord – is eindelijk terug. Opeens was het daar, Kev en ik zagen het allebei op dezelfde dag, bijna tegelijkertijd. Kev zei het hardop, ik had het eerder al in stilte opgemerkt maar kon er de vinger niet op leggen. “Dat is het,” beaamde ik enthousiast. “Onze Mona van vroeger is terug.” Wat een uitspraak is die maar deels klopt, want natuurlijk zijn we allemaal al lang niet meer wie we toen waren, daarvoor is er teveel gebeurd. Is onze kijk op het leven teveel veranderd. Maar wat die blik betreft en de onbezorgdheid die er terug openlijk uit spreekt, is het maar al te waar. F*cking amazing is het!

Als ik er nu nog in slaag om uit te vinden wie ik doorheen en in de nasleep van dit alles zelf geworden ben, komt het uiteindelijk wel goed met ons. Nu de storm in mijn lijf stilaan gaat liggen en al eens durft af te zwakken tot een hardnekkig briesje, rijst de vraag hoe ik mijn leven vanaf nu langzaam terug wil inkleuren. De alarmbellen zijn er nog, op de achtergrond, en deze keer luister ik ernaar. Doe ik het rustiger aan als het moet. Laat ik al eens de dwalende poezenharen op het kleed liggen en blijft de afwas een dagje langer in de gootsteen staan. En mijn kroost kan gerust eens een halfuurtje langer televisie kijken, op dit ogenblik zijn er nog geen voortekenen van mentale afstomping te merken.

Maar naast het inbouwen van de nodige rust- en recuperatietijd, groeit de behoefte aan nieuwe uitdagingen. Geen sinecure, zo blijkt, om jezelf opnieuw uit te vinden. Carte blanche mogen starten is een tegelijk onmogelijke noch wenselijke luxe. Want uiteraard zit er ook heel veel goeds in het leven dat ik heb opgebouwd: mijn twee schatten van kinderen, een man die me de tijd geeft om mezelf terug te vinden, diepgewortelde vriendschappen, mijn ouders op wie ik altijd kan rekenen… Helaas is er ook veel ballast, dingen die ik al ettelijke jaren met me meedraag en die mij de pas belemmeren. Ik probeer ze stuk voor stuk van me af te schudden, als oude kleren die me niet langer passen. Ik wil iets nieuws, iets frivools, met de nodige franjes en kleur. En hoewel de etalage groot en uitdagend is, vraagt het moed die nieuwe kleren aan te trekken. Moed waarvan ik mezelf moet overtuigen dat ik ze heb. Het is elke dag opnieuw een gevecht en een overwinning tegelijkertijd om voor de spiegel te gaan staan en die nieuwe ik in vol ornaat te ontdekken.

Stilstaan bij mijn gevoel is de grootste verandering. Ik heb jarenlang zoveel onderdrukt dat het een kwestie van laag per laag afpellen is om erachter te komen wat er op mijn hart ligt. Ik weiger ook pertinent om nieuwe laagjes vernis te construeren bovenop de afgekrabde schilfers van het oude. Ik laat elke emotie over mij komen en voel wat het met mij doet, met mijn hoofd én met mijn lijf. Vreselijk beangstigend vaak en niet vanzelfsprekend. Mensen zijn er nu eenmaal door de eeuwen heen in getraind om hun maskers op te zetten: “Laat vooral niet zien wat je écht voelt”. Het feit dat ik nu wél probeer stil te staan bij mijn gevoel en ernaar te handelen, is een keuze die niet iedereen begrijpt. Maar ook dat is iets waarbij ik me neerleg. Ik ben ervan overtuigd dat eerlijk omspringen met mijn gevoelens zijn vruchten afwerpt, hoe lastig het soms ook is.

Eén ding is zeker, ik zal niet meer opeens – out of the blue– overrompeld worden door een horde op hol geslagen emoties. Maar makkelijk is het niet, soms doet het ronduit pijn. Ik troost me met de gedachte dat pijn op zich niet slecht is, het is een prikkel die aangeeft dat er iets niet loopt zoals het zou moeten (of in het geval van gevoelens, zoals ik het zou willen). Het is een trigger om het anders aan te pakken.
Change is war, een oorlog met blikschade en slachtoffers, tranen en angstzweet, maar gelukkig ook gewonnen veldslagen en veroverd grondgebied. Een slag thuishalen op mezelf om terug te vinden wie ik ben én te ontdekken wie ik nog wil worden. En af en toe een wapenstilstand om tot rust te komen en te beseffen dat er zoveel is om gelukkig te zijn.

Sparkle 

There’s a light, it burns.
I search for it in my sleep,
try not to spill my hidden tears.

As the years go by,
I see its reflection before my eyes,
always ready it seems for me to catch it,
don’t know how many times I tried.

I’ll keep looking around
behind the shadows,
beyound the clouds,
lightyears away and than again
sometimes so near.

Why can’t I catch you,
why do you always flight?
The faster you run,
the deeper you hide,
the more eager I get to find you.

Please, come and save me,
pull me away from the dark.
Let your light shine on me,
if only a spark of it would touch me,
I would be saved.

I wan’t to get lost in your embrace,
put an end to this endless night.
So would you hold me tight
and never let me go?

(Elfi Vandenabeele – “Het L-woord: Dagboek van een moeder”)

En toen opeens stopte het. Van de ene dag op de andere. Er was niet echt een aanleiding maar mijn lichaam besloot: het is genoeg geweest. Ik houd ermee op. Ik ging slapen met drukkende hoofdpijn en stond op met het gevoel dat ik onder een pletwals had gelegen, de ganse nacht lang. Misschien wel de afgelopen twee en een half jaar. Of zelfs mijn hele leven al. In elk geval, negeren was niet langer een optie. En met dat besef, trof het mij als een mokerslag. Dit kwam niet uit de lucht gevallen.

Natuurlijk is er wel een aanleiding, sterker nog, ik kan waarschijnlijk een uit de kluiten gewassen container vullen met directe en indirecte aanleidingen. En onderliggend is er die altijd aanwezige angst, soms sluimerend, dan weer acuut, die me op de meest onverwachte momenten overvalt en me de adem letterlijk beneemt. Zelfs voor Mona ziek werd, was ik er niet vrij van, eeuwige piekeraar die ik ben en – uiteraard – perfectionist en hoogsensitief, om het plaatje compleet te maken. Maar het bizarre is dat ik vanaf dag één na Mona’s diagnose die knop volmaakt heb kunnen omdraaien. En niet alleen omdat het moest – blijven ter plaatste trappelen was immers geen optie – maar vanuit een innerlijke kracht, die ik als heel sterk en positief ervaren heb. Mona’s ziekteperiode is voor ons allen een proces geweest. In de eerste plaats voor haarzelf, maar ook ik merk dat ik gedurende de afgelopen jaren een traject van persoonlijke groei heb doorgemaakt. Een min of meer stijgende lijn, die me op mijn kwaliteiten gewezen heeft, meer dan op mijn falen en mijn kleine kantjes.

En toch… die eeuwige tweespalt. Tegenover zoveel positieve energie heeft ook het vernietigende beestje dat angst heet zijn werk gedaan. Terwijl mijn lichaam en geest in opperste paraatheid over steile bergkammen klauterden, wrat het lelijke ding zich een weg doorheen mijn lijf, tot het uiteindelijk aan mijn gedachten begon te knabbelen. Subtiel aanvankelijk, waardoor ik het slechts af en toe gewaar werd, maar niet al te ernstig opnam. Zoals gezegd, het was te negeren. Als ik maar verder doe, dacht ik. Als ik maar… dan gaat het wel weer weg. Als ik maar naar de signalen van mijn lichaam geluisterd had, denk ik nu.

Angst. Het is iets wat velen onder ons proberen verbergen. We lachen het weg of we verdoezelen het in onze dagelijkse bezigheden. We moffelen het ergens tussen de lijnen van onze overvolle agenda, daar in die omgeplooide hoekjes waar we liever niet kijken. De ezelsoren aan ons blad, die ons er toch altijd stiekem aan herinneren dat iets niet helemaal loopt zoals het zou moeten. Wat als… Wat als ik niet alles perfect in mijn zo welgevormde hokje kan duwen? Wat als ik ongewild buiten de lijnen kleur? Wat als het mij vandaag niet lukt om de mij zelf opgelegde norm te behalen?

Want ja, hoe langer hoe meer geraak ik ervan overtuigd dat iedereen ernaar streeft die norm te bereiken, of beter nog, te overstijgen. Pas dan kunnen we geslaagde kiekjes plaatsen op sociale media. Pas dan kunnen we opgelucht ademhalen en beginnen met het turven van het aantal likes. En uiteraard hopen dat die talrijk zijn, want ook dat kan één van onze angsten zijn. Dat we ondanks al onze pogingen onszelf in the picture te plaatsen toch onzichtbaar blijven.

Angst is er in vele gedaantes. Van de schrik om er niet bij te horen tot de ultieme waanzin om gek te worden van eenzaamheid. Om nog maar te zwijgen van de angst omwille van de angst. Ik heb het intussen verschillende keren ervaren: het radeloze bonzen van mijn hart, het stokken van mijn adem, het verkleinen van de wereld rondom mij tot er niets meer rest dan het suizen van mijn eigen gedachten en de wreedheden die ze me toefluisteren. Zonder ontkomen, zo lijkt het wel. Dat gevoel, die pure reddeloosheid en doodsangst, ik wens het zelfs mijn ergste vijand niet toe.

Maar gelukkig is er zelfs nu een positieve noot. Het beestje heeft een naam: chronische hyperventilatie. Kort door de bocht komt het erop neer dat mijn lichaam zich al zolang in een vecht-vlucht modus heeft gehuld, dat het niet meer weet hoe het zich moet ontspannen. Mijn lichaam en emoties zitten als het ware in een harnas gevangen. Een bankschroef van spanning die ik nu geleidelijk aan terug losser leer maken. Een confronterend maar bevrijdend proces. Ik schrik er zelf van hoeveel emoties er vrijkomen bij het ontpannen van – ik zeg maar iets – mijn armen of benen. Alsof alle angst en onzekerheid zich van mijn kruin tot in de uiterste toppen van mijn vingers en tenen heeft opgestapeld en op een gegeven moment moest vaststellen: oeps, er is geen plaats meer in dit lijf. Dat is het ogenblik dat het letterlijk uit mijn voegen is gebarsten. Het moment waarop ik al die gevoelens en gedachten niet langer in mij kon houden, omdat er simpelweg geen ruimte meer was.

Dat besef is al heel wat. Het is de eerste stap in mijn lange proces naar herstel. Want dat is wat ik doen moet: het natuurlijke evenwicht tussen spanning en ontspanning herstellen. Een constante evenwichtsoefening, zeg maar. Het voortdurend zoeken van de balans tussen beide, met één stap voorwaarts en twee stappen terug, of omgekeerd, in het beste geval.

Maar het is wat het is: een begin. En alle begin is moeilijk. Om naar een ander cliché uit één van de voorgaande blogs te verwijzen: “what doesn’t kill you, makes you stronger”. Al voelt het soms vreselijk bedreigend, aan angst op zich, ga je niet dood. Of het mij sterker gemaakt heeft, daar kan ik nog steeds niet volmondig “ja” op antwoorden. Maar het heeft me in elk geval bewuster gemaakt van de waarde van het leven en hoe ik mij daartoe verhoud. Ik beweer geenszins de waarheid in pacht te hebben, maar ik maak voor mezelf vaker dan vroeger de afweging om te kiezen voor die dingen die energie geven en ik durf al eens een perfectionistisch steekje te laten vallen. Of dat mij sterker maakt, weet ik niet. Het maakt me menselijk. En hopelijk – op termijn – weerbaarder. Misschien zou het spreekwoord moeten zijn: “what doesn’t kill you, makes you more alive”, in de letterlijke en figuurlijke betekenis van die laatste twee woorden. Laat mij maar bewust worden van dat levend zijn en terug het genot vinden in al het mooie dat het leven ons te bieden heeft.

Er zijn dagen dat ik mij afvraag op welke manier het L-woord ons getekend heeft. Soms denk ik dat we er sterker uitgekomen zijn. Dat zijn de dagen dat ik hoopvol ben, wanneer ik erop vertrouw dat we uit die helse periode enkel het goede gedestilleerd hebben en dat we dat als stevige basis kunnen gebruiken om ons verdere leven uit te bouwen. Ongetwijfeld hebben we kracht geput uit dit alles. We zijn geconfronteerd met onze grenzen. Met de bodem van de put en op de één of andere manier zijn we erin geslaagd eruit te klauteren. We hebben ons schrap gezet, onze hielen tot diep in de smurrie geduwd en we zijn aan de lange en moeizame klim omhoog begonnen.

Maar er zijn ook dagen die gehuld zijn in een waas van weemoed. Een soort mist die al het vrolijke en fleurige overschaduwt. Dat zijn de dagen waarin ik mij afvraag hoe we door het L-woord gebrandmerkt zijn. Op welke manier het zich nog venijnig in ons leven probeert te wringen en het licht probeert te bannen uit die dingen waar we net weer wat plezier in vinden. Misschien moet ik vanuit de ik-persoon spreken, want dit is hoe ik het ervaar. En als ik iets geleerd heb op onze weg dan is het wel dat we niets ooit volledig op dezelfde manier beleven, laat staan verwerken.

Maar ze zijn er dus, die duistere dagen. Vaak weet ik aan het begin van zo’n dag niet hoe ik het einde ervan moet halen. En toch… Toch lukt het me, keer op keer. Want er is die ene gedachte die het allemaal de moeite waard maakt: we hebben het gehaald! We zíjn uit die put geklommen. Wat voor gedrocht er ook op ons pad gedropt wordt, ergens diep in onszelf huist een soort oerkracht om het te overwinnen. Om recht voor dat monster te gaan staan en het in het lelijke gezicht te zeggen: “Hier ben ik, ik laat me niet doen. Ik-wil-leven!”

Natuurlijk heb ook ik mijn eigen monsters en uiteraard heeft het L-woord nieuwe angsten gecreëerd. Een eenduidig antwoord op de vraag of we hier sterker zijn uitgekomen, is er misschien niet. Het is iets wat mensen beweren als je iets ergs hebt meegemaakt: what doesn’t kill you, makes you stronger. Er schuilt zeker waarheid in die leuze, in die zin dat je leert om krachtbronnen in jezelf aan te boren waar je anders het bestaan niet eens van zou hebben vermoed. Maar het blijft een gevaarlijke bewering, een cliché bijna. Want hoe goed het ook is te beseffen dat je over een soort innerlijke kracht beschikt, het feit dat je je ultieme reserves moet aanwenden om de situatie meester te kunnen, maakt dat je geconfronteerd wordt met de kwetsbaarheid van het leven. Op een bepaald moment ben je verplicht je grootste angst recht in de ogen te kijken en het gevecht aan te gaan wie als eerste zijn blik neerslaat. En dat hakt erin. Hoe je het ook draait of keert of een positieve wending tracht te geven, zoiets tekent je.

Gelukkig worden de dagen stilaan lichter, letterlijk en figuurlijk. En in dat licht probeer ik beverig los te laten. De controle, de angst, de herinneringen… Het is een proces van lange adem, dat besef is al heel wat. Om het met nog een cliché te benoemen: het zal tijd nodig hebben. Ook brandwonden genezen, al laten ze een blijvend spoor na. Ik vergelijk het met een deur naar een kamer uit ons leven. Een kamer waar we lang in opgesloten zaten. Een kamer die we intussen voetje voor voetje verlaten hebben, maar die er altijd zal zijn om ons eraan te herinneren dat onze wereld ooit beperkt was tot die krappe, enge ruimte. Het delen van lief en leed tussen vier muren, tussen vier paar ogen. Vaak kwam er wel iemand binnen maar niemand heeft er al die maanden 24u op 24u gewoond, behalve wijzelf.

Gelukkig is die kamer nu niet meer dan een aanwezigheid op de achtergrond. Het enige waar we nog vaak tegenaan lopen, is de gesloten deur. In het hout zitten merktekens: knoesten en nerven op de plaatsen waar het leven ons geraakt heeft in het diepst van onze ziel. We hebben de deur glad geschuurd, zorgvuldig opgepoetst en een beschermende vernislaag over het tere hout aangebracht. Maar ondanks al die ingrepen, blijven de schaduwplekken zichtbaar, de knoesten die het uiterlijk van de deur tekenen. De ruwheid is verdwenen, maar nooit helemaal vergeten.
Op donkere dagen laat ik mijn vingers over die plaatsen dwalen. Misschien is het tijd om die deur een likje verf te geven, denk ik dan. Een fris kleurtje, dat ons eraan herinnert dat het altijd terug lente wordt.

*Lente – 21 maart 2017

Het wordt lente, zegt ze. Buiten schijnt de zon behoedzaam.
In bomen en struiken ontluiken schuchtere twijgjes. Harde windvlagen
rukken aan broze takken – woelen wortels bloot, door winter overwoekerd.

 

Ze streelt haar pas geschoren huid, haar vingers licht gespreid.
Het kietelt, zegt ze. Mijn blik volgt de beweging van haar handen
– hoe ze de stoppels aait. Ze legt haar hoofd op mijn schouder,


laat het daar rusten.
In haar blik huizen jonge vogels, dromen die hun vleugels spreiden.
De hare groots en onverschrokken, de mijne kleiner – veilig geborgen.


Buiten wervelen dode bladeren in de wind – buigen zich
tot vraagteken. Ik druk een  glimlach op haar naakte kruin.
We zwijgen – lang.

Ja, zeg ik dan. Het wordt lente.