Kerstmis. Ze slaan ermee om onze oren: in de reclamebladen, met de affiche die de kinderen mogen ontwerpen voor de kerstmarkt, in de hele discussie over het afschaffen van de naam Kerstmarkt en deze te vervangen door Wintermarkt en ga zo maar verder. Ik ben er niet klaar voor, dat hele kerstgedoe.  Ja, natuurlijk is het mij niet onbekend, dat gevoel van steeds donkerder en killer wordende avonden, de bladeren die ronddwarrelen als kleurige sneeuwvlokken tot de bomen helemaal kaal zijn en schreeuwen om vrolijke kerstlampjes om ze op te fleuren. De haard die knusjes knettert, warme pompoensoep en gluhwein, plakkerige jenever in alle smaken die je maar wenst – van chocolade tot cactus. En dan de zoektocht naar pakjes, elk jaar een opgave in een wereld waar iedereen alles al in overvloed heeft. De uitdaging om net dat ene waardevolle geschenk op de kop te tikken waarvan je toch het gevoel hebt dat het iets te betekenen heeft.

Want is dat niet net datgene waarnaar we allemaal op zoek zijn? Van betekenis zijn. Wat betekent Kerstmis voor mij? Het gaat hem niet om de pakjes, om de boom, de lichtjes en de van de geur van braadworsten verstokte marktjes die op elk gemeenteplein opduiken. Het gaat niet over Jezus en de herders en een maanverlichte nacht in het stro. Het gaat om de herinneringen en de betekenis die ze geven aan mijn leven vandaag. Misschien ben ik er daarom nog niet klaar voor, voor dat hele kerstgebeuren.

Ik sta op en hoor hoe de weerman spreekt over de warmste novembermaand ooit, met temperaturen die alweer kunnen oplopen tot 15 graden en méér. We zijn no-vem-ber zeg! Mijn herinneringen voeren me terug naar een herfstvakantie in 1994. Drie vriendinnen kwamen logeren. We stonden op en zagen door het raam een pak sneeuw van wel 20cm hoog. We gingen sleetje rijden op de helling in het bos tot onze handen en tenen bevroren. We lagen ondersteboven op de zetel in onze woonkamer met onze voeten tegen de chauffage gedrukt. Ik voelde mijn tenen tintelen. En we giechelden erop los, want dat doen pubermeisjes nu éénmaal. God, wat lijkt het lang geleden allemaal. En toch, alsof het gisteren was.

Ik herinner me hoe oma Blanche en opa Roger langskwamen op kerst. Oma steevast met een zelfgemaakte kerststronk van quatre-quarts cake en glazuur, versierd met plastic hulst, rendieren en mini-kerstballetjes. Het is de enige kerststronk die ik ooit met smaak gegeten heb.

En later – veel later – was er het kerstfeest waarop Beau de waterpokken had. Op alle foto’s staat hij vol rode Mercurochroom-vlekjes, want ik wist toen nog niet dat er ook kleurloos ontsmettingsmiddel bestond.

Toen kwam het jaar waarop we alleen met ons viertjes vierden, omwille van het besmettingsgevaar voor Mona. De foto’s van die kerst zijn moeilijk voor me. Het cortisonegezichtje, de gekortwiekte haartjes, de blik in Mona’s ogen en in die van ons. We waren zo dankbaar om thuis te mogen vieren, een paar dagen geen ziekenhuis. Dat was op dat ogenblik het mooiste geschenk.

Dit jaar wordt het anders. Beter. Natuurlijk wordt het beter, Mona is genezen, de toekomst lacht ons toe. Rationeel weet ik dat. Nu nog die gedachten en emoties meekrijgen. Het zijn soms hardnekkige dingen, die gevoelens. Dat kleine, benepen stemmetje, het duiveltje op mijn schouder. Ik zou het zo graag het zwijgen opleggen. Met een welgemikte sneeuwbal tegen de grond knallen, er een kerstboom op planten en die versieren met de kleurige kerstballen en glazen vogeltjes, die we vroeger thuis in onze boom hingen.

Nostalgie, misschien is dat wel het sleutelwoord voor Kerstmis. Het zijn niet die nieuwe kerstballen, het zijn niet de pakjes of wat erin zit, niet de duizend-en-één ledlampjes en al zeker niet de diepgevroren ijsbuche. Het is de smaak van het verleden, datgene wat kerst Kerstmis maakt en al de geuren, geluiden, gevoelens en gedachten die ermee verbonden zijn. Het is de hoop die we dan meer dan ooit levend houden en de liefde voor elkaar die ons verwarmt. Het is de belofte van het nakende nieuwe jaar en de zoete troost van vers opgeslagen herinneringen.
Als dat Kerstmis is, dan ben ik er misschien wel klaar voor. Binnenkort.

“We zijn wat we ons herinneren. Dat hangt samen met weten wie we zijn, begrijpen waarom onze omgeving is wat ze is en van daaruit besluiten er iets aan te doen.” (Carlos Ruiz Zafón)

Een uitspraak van de bekende romanschrijver die ik las in het tijdschrift Verzin van Creatief Schrijven. Het zette me meteen aan het denken. Want Zafón slaat de nagel op de kop.
Uiteraard zijn er in het leven zaken waaraan je niets kunt veranderen. Dat hebben wij aan den lijve ondervonden die bewuste 18 augustus 2016 met de diagnose van Mona. Met de beste wil van de wereld kan je een geneeskundig verdict niet ongedaan maken, enkel en alleen door het heel hard te wensen. Waar je wel iets aan kunt doen, is hoe je ermee omgaat. En die knop hebben wij gelukkig heel vlug kunnen omdraaien.

Waar we de kracht vandaan haalden, weet ik niet. Misschien vonden we die bij elkaar. Misschien komt er op zo’n momenten een soort oerinstinct in een mens naar boven of misschien was het Mona’s optimistische vastberadenheid die ons voldoende moed gaf om terug te vechten. Waarschijnlijk een combinatie van dat alles, stevig onderbouwd met de helpende handen en vurige supporters aan de zijlijn.

Maar als puntje bij paaltje komt, heeft Zafón gelijk: de manier waarop we met een gegeven situatie omgaan, zegt veel over onze veerkracht en hoe we onszelf geleerd hebben met tegenslagen om te gaan. En dat heeft op zijn beurt te maken met onze voorbeelden: bij wie we zijn opgegroeid, wat we van hen hebben geleerd of net niet, op welke plaatsen het ons gebracht heeft en hoe we ons van daaruit tot het leven hebben leren verhouden. Wat hebben we onzelf eigen gemaakt? Waarbij voelen we ons comfortabel? Wat drijft ons net iets meer tot de rand van ons kunnen en welke innerlijke hulpbronnen kunnen we aanboren om vol te houden?

Ik kan uit dit alles alleen maar besluiten dat ik fantastische voorbeelden had. Dat ik het niet gekund zou hebben zonder die fundamentele basis van vertrouwen. Een warm nest dat me geleerd heeft dat het oké is om bang te zijn. Om je vleugels niet te vroeg uit te slaan en te wachten op dat ene zuchtje wind dat je voldoende geloof in jezelf geeft.

We zijn wat we ons herinneren. En ook al ben ik vandaag niet meer dezelfde persoon als vóór 18 augustus 2016, ik weet nu dat ik altijd stevige wortels heb om bij aan te knopen, ongeacht de bochten waarin mijn stam zich wringen moet. Het maakt mij misschien wat krommer, maar is het niet net door onze takken in een andere richting te buigen dat we een nieuwe lichtinval tussen het gebladerte ontdekken?

Vanaf nu bestaat mijn leven uit drie tijdperken: ons leven zoals het was voor Mona ziek werd, de twee jaar durende behandeling en alles vanaf het moment waarop ze genezen is verklaard. Nu dus. Hoe ik mij tot dat derde tijdperk moet verhouden, is nog zoeken. Uiteraard ben ik gelukkig, dat behoeft geen verdere toelichting. Maar ik zou het toch ook breekbaar, onzeker, wankel en twijfelend durven noemen.
Regelmaat en structuur geven – hoe verstikkend soms ook –  een bepaalde zekerheid. Het vaste stramien, de vele regels en beperkingen, ik heb ze vervloekt. Maar ergens creëerden ze ook een gevoel van veiligheid. De idee dat als ik me maar hard genoeg aan die regels vastklampte, alles wel goed zou komen.

Nu – moet – ik – loslaten. Mag ik loslaten maar vooral moet ik loslaten. Want het is niet evident. Ik gun Mona alles: van zwemmen tot chocolademousse met rauwe eieren eten, tot ravotten in de zandbak en met pikzwarte voetzolen en groezelige handen thuiskomen, het snoepje bij de bakker uit een schaaltje waar tientallen microbenvingertjes in ronddwaalden op zoek naar het lekkerste exemplaar. Ik gun het haar zo! En ik gééf het haar.

Maar het vraagt discipline van een heel andere orde. Het soort waarbij je jezelf dwingt driemaal op je tong te bijten en je woorden in te slikken.  Het soort waarbij je je ogen sluit en dan steun vragend omhoog kijkt in het duister, alsof er van daaruit ergens een antwoord moet komen. Het soort waarbij je je handen tot vuisten balt (onopvallend uiteraard) en je je nagels heel hard in je handpalmen drukt, zo hard dat er vier witte halve maantjes achterblijven op je huid.

Het aanboren van die poel van basisvertrouwen die vroeger – in het eerste tijdperk – ruim gevuld was, blijkt een veel moeilijkere opgave nu. Ik moet er dieper voor wroeten, wortels blootleggen die nog broos zijn en het daglicht schuwen.

Maar er zijn alvast twee lichtpuntjes. Ze heten Mona en Beau. Ze stralen zo’n intens vertrouwen uit, het onvoorwaardelijke geloof in de toekomst. Mona’s nieuwste ritueel als ze oma Ingrid ziet (mijn mama), is naast haar gaan staan, rug tegen rug, en vaststellen dat ze bijna even groot zijn. Ze is er nog niet uit of het oma is die krimpt of zijzelf die groeit of misschien wel allebei. Maar wat vaststaat is dat er een evolutie is. Dat de dingen vooruitgaan en veranderen.

Dat is het mooiste geschenk in dit derde tijdperk: we staan niet langer stil. Er is terug ruimte voor evolutie en groei. Uit de barsten in ons leven ontkiemt de hoop, een oneliner waarmee ik vaak mijn dichtbundel In de marge signeer. Nu is de tijd aangebroken om die hoop ten volle water en voeding te geven. Laat haar maar groeien en bloeien tot een prachtige bloem!

Het grote woord is eruit: Mona is GENEZEN! Het mag gezegd, geschreeuwd, gejubeld worden. Genezen, genezen, genezen. Wat een verlossend nieuws, wat een ontlading. Ein-de-lijk, na een rally van ruim twee jaar, maakt dokter Bordon met één simpele maar prachtige zin een einde aan de onzekerheid: “Ik heb alleen maar goed nieuws voor jullie!”

Mona krijgt 10 op 10 nog voor het schooljaar officieel begonnen is en dat is hoe dan ook de belangrijkste en beste score van haar hele leven. Dat we gelukkig zijn dekt lang de lading niet. Er zijn gewoon geen woorden voor dit gevoel, deze overweldigende emotie. Het besef is er, ik hoor de woorden, ik voel wat ze met me doen, langzaam sijpelt de betekenis ervan binnen. Als ze me vandaag zouden vragen hoe een wonder hoort te voelen, dit moet het zijn. Een wens die uitkomt, een diep gekoesterde hoop, een geworteld vertrouwen.

Niet te geloven dat we vandaag, 29 augustus 2018, al méér dan twee jaar verder zijn. Ik kan me erover blijven verwonderen, die ambiguïteit van tijd. Maar het is zo, ik kan mezelf wel duizend keer knijpen en dan nog staan we waar we staan, horen we wat we net gehoord hebben, voelen we dit nieuwe gevoel: overwinning. We hebben het beest overmeesterd. We hebben het niet alleen teruggedrongen in zijn hol maar het eruit verdreven, al zijn vurige koppen gekortwiekt en verbrijzeld om het voorgoed het zwijgen op te leggen.

Natuurlijk is er nog dat kleine stemmetje. Dat stemmetje dat aanmaant tot voorzichtigheid, tot gekruiste vingers en in diepe hoop gebogen hoofden. Dat stemmetje zal er misschien wel altijd zijn, het wordt een metgezel op de reis van ons leven. Misschien ook op de reis van haar leven, al hoop ik van niet. Als ik haar iets vanuit het diepst van mijn hart toewens, is het wel dat ze opnieuw vrij en onbezorgd kan zijn. Als kind, als puber, als jongvolwassene, als vrouw. Ik hoop dat ze nooit het gevoel heeft dat ze constant over haar schouder moet kijken, iets wat ik nog moet leren.

Want dat vandaag ook een oefening in loslaten is, wordt me meteen duidelijk als de dokter meedeelt dat Mona vanaf uiterlijk NU – dit eigenste moment – terug alles mag doen (alles wat we broer ook zouden laten doen, voegt ze er gniffelend aan toe).
“Oh, mama, dan gaan we vandaag nog zwemmen hé? Mag het, mama? Mag het? Toe?” Tja, wat zeg je dan, als moeder?
Juist, loslaten dus. En tegelijk genieten, van die proestende snoet in het water, van die gelukzalige blik in haar ogen bij het verorberen van twee spiegeleieren. Van het vooruitzicht van al ‘het verbodene’ dat nu met nog meer sprankel lonkt.

Loslaten en genieten, weer twee schijnbaar tegenstrijdige begrippen die wonderlijk ineenvloeien eens je het toelaat. Wat heb ik geluk met Mona en Beau als mijn leermeesters.

Het klopt wat ze zeggen over de laatste loodjes: en of ze wegen! Kev is net vertrokken met Mona naar het UZ Gent, tweede controle op rij bij dokter Bordon en nu maar duimen dat die neutrofielen terug de hoogte in zijn! Mona’s beenmerg is moe. Moe van de twee jaar durende strijd, van de vele chemobehandelingen en –pillen. Net als wij moe zijn van de hele rompslomp die met dit alles gepaard gaat. Twee jaar is niet niets, zelfs achteraf bekeken en met de vreemd tegenstrijdige vaststelling dat tijd een relatief begrip is en soms vlugger voorbij is dan je denkt.

Maar desalniettemin: twee jaar is niet niets. Méér nog, het is best lang om je staande te houden in een orkaan die je ganse leven overhoop haalt. In de eerste plaats voor Mona maar ook voor ons. Het centrum van onze hele wereld ligt onder vuur en wij kunnen alleen maar nederig meedraaien in deze mallemolen en vurig hopen dat hij de juiste richting blijft uitgaan. Het maakt me zo klein en bang. Terwijl het me op andere momenten net de kracht geeft om door te gaan. Om te vechten, net als Mona doet, met opgeheven hoofd en altijd die lieve, beloftevolle lach. Ze is een prachtmeid, mijn dochter. She rocks!

Ik kruis mijn vingers, al heb ik ergens onderweg het bijgeloof grotendeels afgezworen. Nog zo’n cliché dat blijkt te kloppen, dat extreme situaties je geloof op een helling zetten. Sommigen putten er troost uit, anderen zetten zich er net tegen af. Ik denk dat ik ergens een middenweg ben ingeslagen, waarbij ik steviger met mijn voeten in de aarde van dit leven sta, me bewuster ben van het feit dat het wel hier en nu is dat we onzelf waar moeten maken. De kracht van het geloof in ons eigen kunnen, als we het maar hard genoeg willen en in onszelf geloven.

“De grootste dromen beginnen vaak klein, als we ze maar waar maken”, het is niet voor niets één van mijn favoriete en meest gegeerde leuzes. Ergens wil iedereen er toch in geloven dat het kan, je dromen waar maken, hoe bedrieglijk klein ze ook beginnen?

En voor die zaken waar ik geen vat op heb, kruis ik dan toch in stilte mijn vingers. Je weet maar nooit. Ook het geluk kan wel eens een vingertje hulp gebruiken.

Het is grote vakantie en Beau slaapt al de ganse week tot na 9u00. Terwijl Mona voor de televisie lummelt – zij blijft een vroege vogel – maak ik alvast zijn ontbijt klaar voor straks, als hij nog warm van de slaap de trap afkomt en zich tevreden tegen me aandrukt. Wat een verschil met de jachtige schoolochtenden, wanneer alles volgens een vast schema verloopt en er weinig tijd rest voor knuffels en gelummel.

Vertragen. Het is een woord dat almaar vaker opduikt. In tijdschriften, reclamespots, interviews, workshops, noem maar op. Je zou het bijna een zegen kunnen noemen dat er dagelijks zoveel duizend kilometer file is, denk ik met enig leedvermaak. Dé ideale gelegenheid om te vertragen, zou je denken. Des te meer het verkeer vertraagt echter, des te broeieriger gaat het er binnenin ons hoofd aan toe. Verkeersagressie viert hoogtij, stoppen slaan door en menig hart slaat enkele tellen over in de ochtend- en avondspits.

Ik prijs mezelf gelukkig dat ik momenteel van thuis uit kan werken. Dat ik er écht kan zijn voor mijn kinderen, die me op dit ogenblik in hun leven het hardst nodig hebben. En ik hen, besef ik elke dag opnieuw. Want het is door hen dat ik mijn blik heb leren verruimen. Het is door wat we de afgelopen twee jaar hebben meegemaakt dat ik opnieuw heb leren vertragen. Als kind leef je nog in het moment, je bent je enkel bewust van het hier en nu en je probeert er alles uit te halen, zonder dat je het zelf beseft. Hoe mooi is dat? Waarom vergeten we als we ouder worden om het hier en nu te koesteren?

Ik betrap mezelf er zo vaak op dat ik vanaf het ogenblik dat ik mijn ogen open al plannen begin te maken: welke kleren ik ga aandoen, wat er op de boterhammen van de kinderen moet, wat er mee moet in de boekentassen, of ik nog moet stofzuigen of misschien toch beter morgen want vandaag moet ik nog naar de winkel en moet die belangrijke brief nog af en, en, en… Om dan nog maar te zwijgen over het afdwalen van mijn gedachten naar het weekend of de week erop of volgende maand wanneer we dat etentje hebben met vrienden en wat ik dan ook alweer kan klaarmaken om origineel uit de hoek te komen.

Ik hoor gestommel op de trap. De deur naar de woonkamer zwaait open en vliegt met een knal weer dicht door de luchtcirculatie van het openstaande schuifraam. Beau piept vrolijk om de hoek. Hij ziet er uitgeslapen uit. Met een tevreden glimlach op zijn snoet vlijt hij zich bij mij op schoot als ik neerhurk en hem een zoen op zijn voorhoofd geef. Ik houd me zo stil mogelijk en geniet ervan hoe we samen de tijd een halt toeroepen.

“Mm, choco!”, kirt hij, wanneer hij de boterham op zijn bordje ontwaart. In nog geen drie tellen zit hij aan tafel en smult van zijn brood. De wereld om hem heen herleid tot choco op een boterham. En de tijd om er intens van te genieten.