Er zijn dagen dat ik mij afvraag op welke manier het L-woord ons getekend heeft. Soms denk ik dat we er sterker uitgekomen zijn. Dat zijn de dagen dat ik hoopvol ben, wanneer ik erop vertrouw dat we uit die helse periode enkel het goede gedestilleerd hebben en dat we dat als stevige basis kunnen gebruiken om ons verdere leven uit te bouwen. Ongetwijfeld hebben we kracht geput uit dit alles. We zijn geconfronteerd met onze grenzen. Met de bodem van de put en op de één of andere manier zijn we erin geslaagd eruit te klauteren. We hebben ons schrap gezet, onze hielen tot diep in de smurrie geduwd en we zijn aan de lange en moeizame klim omhoog begonnen.

Maar er zijn ook dagen die gehuld zijn in een waas van weemoed. Een soort mist die al het vrolijke en fleurige overschaduwt. Dat zijn de dagen waarin ik mij afvraag hoe we door het L-woord gebrandmerkt zijn. Op welke manier het zich nog venijnig in ons leven probeert te wringen en het licht probeert te bannen uit die dingen waar we net weer wat plezier in vinden. Misschien moet ik vanuit de ik-persoon spreken, want dit is hoe ik het ervaar. En als ik iets geleerd heb op onze weg dan is het wel dat we niets ooit volledig op dezelfde manier beleven, laat staan verwerken.

Maar ze zijn er dus, die duistere dagen. Vaak weet ik aan het begin van zo’n dag niet hoe ik het einde ervan moet halen. En toch… Toch lukt het me, keer op keer. Want er is die ene gedachte die het allemaal de moeite waard maakt: we hebben het gehaald! We zíjn uit die put geklommen. Wat voor gedrocht er ook op ons pad gedropt wordt, ergens diep in onszelf huist een soort oerkracht om het te overwinnen. Om recht voor dat monster te gaan staan en het in het lelijke gezicht te zeggen: “Hier ben ik, ik laat me niet doen. Ik-wil-leven!”

Natuurlijk heb ook ik mijn eigen monsters en uiteraard heeft het L-woord nieuwe angsten gecreëerd. Een eenduidig antwoord op de vraag of we hier sterker zijn uitgekomen, is er misschien niet. Het is iets wat mensen beweren als je iets ergs hebt meegemaakt: what doesn’t kill you, makes you stronger. Er schuilt zeker waarheid in die leuze, in die zin dat je leert om krachtbronnen in jezelf aan te boren waar je anders het bestaan niet eens van zou hebben vermoed. Maar het blijft een gevaarlijke bewering, een cliché bijna. Want hoe goed het ook is te beseffen dat je over een soort innerlijke kracht beschikt, het feit dat je je ultieme reserves moet aanwenden om de situatie meester te kunnen, maakt dat je geconfronteerd wordt met de kwetsbaarheid van het leven. Op een bepaald moment ben je verplicht je grootste angst recht in de ogen te kijken en het gevecht aan te gaan wie als eerste zijn blik neerslaat. En dat hakt erin. Hoe je het ook draait of keert of een positieve wending tracht te geven, zoiets tekent je.

Gelukkig worden de dagen stilaan lichter, letterlijk en figuurlijk. En in dat licht probeer ik beverig los te laten. De controle, de angst, de herinneringen… Het is een proces van lange adem, dat besef is al heel wat. Om het met nog een cliché te benoemen: het zal tijd nodig hebben. Ook brandwonden genezen, al laten ze een blijvend spoor na. Ik vergelijk het met een deur naar een kamer uit ons leven. Een kamer waar we lang in opgesloten zaten. Een kamer die we intussen voetje voor voetje verlaten hebben, maar die er altijd zal zijn om ons eraan te herinneren dat onze wereld ooit beperkt was tot die krappe, enge ruimte. Het delen van lief en leed tussen vier muren, tussen vier paar ogen. Vaak kwam er wel iemand binnen maar niemand heeft er al die maanden 24u op 24u gewoond, behalve wijzelf.

Gelukkig is die kamer nu niet meer dan een aanwezigheid op de achtergrond. Het enige waar we nog vaak tegenaan lopen, is de gesloten deur. In het hout zitten merktekens: knoesten en nerven op de plaatsen waar het leven ons geraakt heeft in het diepst van onze ziel. We hebben de deur glad geschuurd, zorgvuldig opgepoetst en een beschermende vernislaag over het tere hout aangebracht. Maar ondanks al die ingrepen, blijven de schaduwplekken zichtbaar, de knoesten die het uiterlijk van de deur tekenen. De ruwheid is verdwenen, maar nooit helemaal vergeten.
Op donkere dagen laat ik mijn vingers over die plaatsen dwalen. Misschien is het tijd om die deur een likje verf te geven, denk ik dan. Een fris kleurtje, dat ons eraan herinnert dat het altijd terug lente wordt.

*Lente – 21 maart 2017

Het wordt lente, zegt ze. Buiten schijnt de zon behoedzaam.
In bomen en struiken ontluiken schuchtere twijgjes. Harde windvlagen
rukken aan broze takken – woelen wortels bloot, door winter overwoekerd.

 

Ze streelt haar pas geschoren huid, haar vingers licht gespreid.
Het kietelt, zegt ze. Mijn blik volgt de beweging van haar handen
– hoe ze de stoppels aait. Ze legt haar hoofd op mijn schouder,


laat het daar rusten.
In haar blik huizen jonge vogels, dromen die hun vleugels spreiden.
De hare groots en onverschrokken, de mijne kleiner – veilig geborgen.


Buiten wervelen dode bladeren in de wind – buigen zich
tot vraagteken. Ik druk een  glimlach op haar naakte kruin.
We zwijgen – lang.

Ja, zeg ik dan. Het wordt lente.

Het rolt af en en aan in golven… Voor het eerst in méér dan twee jaar begin ik spontaan te huilen bij het horen van een lied. Alsof ik nu pas durf loslaten, voorzichtig, om het broze evenwicht niet te verstoren. Al die tijd heb ik angstvallig vastgehouden, een soort van permanente kramp. Vooral niet loslaten. Niet bewust natuurlijk maar pas nu er een opening komt in die lange periode van duisternis, besef ik hoezeer ik mijn verdriet in mezelf heb opgesloten. Misschien vanuit de idee dat er geen ruimte voor was. Alle ruimte werd ingenomen door de ultieme drang om alles weer goed te maken. Om het L-woord uit ons leven te bannen, voorgoed. Ik besef nu dat dat niet kan. En dat dat ook niet negatief hoeft te zijn.

Die rotziekte – hoe smerig ook – is er geweest en bepaalt nog altijd sommige van onze dagen. De driewekelijkse controles, de opvolgingsonderzoeken in het UZ Gent, de angst die me om het hart slaat als Mona een blauwe plek heeft die ik niet direct kan verklaren, of hoofdpijn, pijnlijke benen. De tegendraadse buien van Beau, die nu eindelijk de aandacht opeist die hij buiten onze wil om gemist heeft. Het horen van een songtekst op de radio die me eensklaps terugvoert naar de dag dat het allemaal begon. Het gevoel dat onze hele wereld in één tel werd opgeslokt. En hoe we toch, na die eerste afschuwelijke schok, meteen recht klauterden en besloten om te vechten als nooit tevoren. Mona voorop, onze eigen Jeanne d’ Arc en wat voor één.
Opnieuw rollen tranen over mijn wangen bij het typen van deze woorden. Ik weet niet waar ze vandaan komen. Of misschien is het logischer te zeggen dat ik niet weet waar en hoe ik ze zo lang heb kunnen opkroppen.

Ik hoop dat ook Mona de kracht zal vinden om los te laten. Ze lijkt in zoveel opzichten op mij. Zo standvastig en koppig dat ze het verdriet weinig kans laat naar buiten te komen. Af en toe is er een barstje, waaruit het ontglipt. Kleine beetjes opgestapelde angst, zorgvuldig bewaarde tranen die de dam tijdelijk doorbreken. Ik vertel haar dat het goed is zo, want ik besef hoe moeilijk ze het ermee heeft. Hoe ze worstelt met het gevoel zich sterk te willen houden en tegelijk zin heeft om de longen uit haar lijf te brullen. Want ze heeft alle recht om kwaad te zijn. Ondanks het positieve nieuws van eind augustus 2018 en ondanks de herademing die dat met zich meebracht, heeft ze twee jaar van haar kindertijd op wrede wijze moeten inboeten. Ook ik ben er lang kwaad om geweest, het soort van machteloze woede dat je voelt als ouder wanneer je kind een vreselijk onrecht wordt aangedaan. Hoe moet zij dat dan wel niet beleefd hebben, in wiens lichaam het zich allemaal op de eerste rij afspeelt? Ik kan er alleen maar een vermoeden van hebben. Er af en toe een glimp van opvangen en méér dan al het overige een immense bewondering hebben voor de kracht waarmee ze dit alles draagt.

It comes and goes in waves. Weet alsjeblieft, mijn meisje, dat je altijd bij mij terecht kunt als de golven je dreigen te overspoelen. Ik ben jouw golfbreker. Laat alles maar stilletjes vloeien en wegebben.

It comes and goes in waves  – Dean Lewis: https://youtu.be/KAM1wyQJsto

Kerstmis. Ze slaan ermee om onze oren: in de reclamebladen, met de affiche die de kinderen mogen ontwerpen voor de kerstmarkt, in de hele discussie over het afschaffen van de naam Kerstmarkt en deze te vervangen door Wintermarkt en ga zo maar verder. Ik ben er niet klaar voor, dat hele kerstgedoe.  Ja, natuurlijk is het mij niet onbekend, dat gevoel van steeds donkerder en killer wordende avonden, de bladeren die ronddwarrelen als kleurige sneeuwvlokken tot de bomen helemaal kaal zijn en schreeuwen om vrolijke kerstlampjes om ze op te fleuren. De haard die knusjes knettert, warme pompoensoep en gluhwein, plakkerige jenever in alle smaken die je maar wenst – van chocolade tot cactus. En dan de zoektocht naar pakjes, elk jaar een opgave in een wereld waar iedereen alles al in overvloed heeft. De uitdaging om net dat ene waardevolle geschenk op de kop te tikken waarvan je toch het gevoel hebt dat het iets te betekenen heeft.

Want is dat niet net datgene waarnaar we allemaal op zoek zijn? Van betekenis zijn. Wat betekent Kerstmis voor mij? Het gaat hem niet om de pakjes, om de boom, de lichtjes en de van de geur van braadworsten verstokte marktjes die op elk gemeenteplein opduiken. Het gaat niet over Jezus en de herders en een maanverlichte nacht in het stro. Het gaat om de herinneringen en de betekenis die ze geven aan mijn leven vandaag. Misschien ben ik er daarom nog niet klaar voor, voor dat hele kerstgebeuren.

Ik sta op en hoor hoe de weerman spreekt over de warmste novembermaand ooit, met temperaturen die alweer kunnen oplopen tot 15 graden en méér. We zijn no-vem-ber zeg! Mijn herinneringen voeren me terug naar een herfstvakantie in 1994. Drie vriendinnen kwamen logeren. We stonden op en zagen door het raam een pak sneeuw van wel 20cm hoog. We gingen sleetje rijden op de helling in het bos tot onze handen en tenen bevroren. We lagen ondersteboven op de zetel in onze woonkamer met onze voeten tegen de chauffage gedrukt. Ik voelde mijn tenen tintelen. En we giechelden erop los, want dat doen pubermeisjes nu éénmaal. God, wat lijkt het lang geleden allemaal. En toch, alsof het gisteren was.

Ik herinner me hoe oma Blanche en opa Roger langskwamen op kerst. Oma steevast met een zelfgemaakte kerststronk van quatre-quarts cake en glazuur, versierd met plastic hulst, rendieren en mini-kerstballetjes. Het is de enige kerststronk die ik ooit met smaak gegeten heb.

En later – veel later – was er het kerstfeest waarop Beau de waterpokken had. Op alle foto’s staat hij vol rode Mercurochroom-vlekjes, want ik wist toen nog niet dat er ook kleurloos ontsmettingsmiddel bestond.

Toen kwam het jaar waarop we alleen met ons viertjes vierden, omwille van het besmettingsgevaar voor Mona. De foto’s van die kerst zijn moeilijk voor me. Het cortisonegezichtje, de gekortwiekte haartjes, de blik in Mona’s ogen en in die van ons. We waren zo dankbaar om thuis te mogen vieren, een paar dagen geen ziekenhuis. Dat was op dat ogenblik het mooiste geschenk.

Dit jaar wordt het anders. Beter. Natuurlijk wordt het beter, Mona is genezen, de toekomst lacht ons toe. Rationeel weet ik dat. Nu nog die gedachten en emoties meekrijgen. Het zijn soms hardnekkige dingen, die gevoelens. Dat kleine, benepen stemmetje, het duiveltje op mijn schouder. Ik zou het zo graag het zwijgen opleggen. Met een welgemikte sneeuwbal tegen de grond knallen, er een kerstboom op planten en die versieren met de kleurige kerstballen en glazen vogeltjes, die we vroeger thuis in onze boom hingen.

Nostalgie, misschien is dat wel het sleutelwoord voor Kerstmis. Het zijn niet die nieuwe kerstballen, het zijn niet de pakjes of wat erin zit, niet de duizend-en-één ledlampjes en al zeker niet de diepgevroren ijsbuche. Het is de smaak van het verleden, datgene wat kerst Kerstmis maakt en al de geuren, geluiden, gevoelens en gedachten die ermee verbonden zijn. Het is de hoop die we dan meer dan ooit levend houden en de liefde voor elkaar die ons verwarmt. Het is de belofte van het nakende nieuwe jaar en de zoete troost van vers opgeslagen herinneringen.
Als dat Kerstmis is, dan ben ik er misschien wel klaar voor. Binnenkort.

“We zijn wat we ons herinneren. Dat hangt samen met weten wie we zijn, begrijpen waarom onze omgeving is wat ze is en van daaruit besluiten er iets aan te doen.” (Carlos Ruiz Zafón)

Een uitspraak van de bekende romanschrijver die ik las in het tijdschrift Verzin van Creatief Schrijven. Het zette me meteen aan het denken. Want Zafón slaat de nagel op de kop.
Uiteraard zijn er in het leven zaken waaraan je niets kunt veranderen. Dat hebben wij aan den lijve ondervonden die bewuste 18 augustus 2016 met de diagnose van Mona. Met de beste wil van de wereld kan je een geneeskundig verdict niet ongedaan maken, enkel en alleen door het heel hard te wensen. Waar je wel iets aan kunt doen, is hoe je ermee omgaat. En die knop hebben wij gelukkig heel vlug kunnen omdraaien.

Waar we de kracht vandaan haalden, weet ik niet. Misschien vonden we die bij elkaar. Misschien komt er op zo’n momenten een soort oerinstinct in een mens naar boven of misschien was het Mona’s optimistische vastberadenheid die ons voldoende moed gaf om terug te vechten. Waarschijnlijk een combinatie van dat alles, stevig onderbouwd met de helpende handen en vurige supporters aan de zijlijn.

Maar als puntje bij paaltje komt, heeft Zafón gelijk: de manier waarop we met een gegeven situatie omgaan, zegt veel over onze veerkracht en hoe we onszelf geleerd hebben met tegenslagen om te gaan. En dat heeft op zijn beurt te maken met onze voorbeelden: bij wie we zijn opgegroeid, wat we van hen hebben geleerd of net niet, op welke plaatsen het ons gebracht heeft en hoe we ons van daaruit tot het leven hebben leren verhouden. Wat hebben we onzelf eigen gemaakt? Waarbij voelen we ons comfortabel? Wat drijft ons net iets meer tot de rand van ons kunnen en welke innerlijke hulpbronnen kunnen we aanboren om vol te houden?

Ik kan uit dit alles alleen maar besluiten dat ik fantastische voorbeelden had. Dat ik het niet gekund zou hebben zonder die fundamentele basis van vertrouwen. Een warm nest dat me geleerd heeft dat het oké is om bang te zijn. Om je vleugels niet te vroeg uit te slaan en te wachten op dat ene zuchtje wind dat je voldoende geloof in jezelf geeft.

We zijn wat we ons herinneren. En ook al ben ik vandaag niet meer dezelfde persoon als vóór 18 augustus 2016, ik weet nu dat ik altijd stevige wortels heb om bij aan te knopen, ongeacht de bochten waarin mijn stam zich wringen moet. Het maakt mij misschien wat krommer, maar is het niet net door onze takken in een andere richting te buigen dat we een nieuwe lichtinval tussen het gebladerte ontdekken?

Vanaf nu bestaat mijn leven uit drie tijdperken: ons leven zoals het was voor Mona ziek werd, de twee jaar durende behandeling en alles vanaf het moment waarop ze genezen is verklaard. Nu dus. Hoe ik mij tot dat derde tijdperk moet verhouden, is nog zoeken. Uiteraard ben ik gelukkig, dat behoeft geen verdere toelichting. Maar ik zou het toch ook breekbaar, onzeker, wankel en twijfelend durven noemen.
Regelmaat en structuur geven – hoe verstikkend soms ook –  een bepaalde zekerheid. Het vaste stramien, de vele regels en beperkingen, ik heb ze vervloekt. Maar ergens creëerden ze ook een gevoel van veiligheid. De idee dat als ik me maar hard genoeg aan die regels vastklampte, alles wel goed zou komen.

Nu – moet – ik – loslaten. Mag ik loslaten maar vooral moet ik loslaten. Want het is niet evident. Ik gun Mona alles: van zwemmen tot chocolademousse met rauwe eieren eten, tot ravotten in de zandbak en met pikzwarte voetzolen en groezelige handen thuiskomen, het snoepje bij de bakker uit een schaaltje waar tientallen microbenvingertjes in ronddwaalden op zoek naar het lekkerste exemplaar. Ik gun het haar zo! En ik gééf het haar.

Maar het vraagt discipline van een heel andere orde. Het soort waarbij je jezelf dwingt driemaal op je tong te bijten en je woorden in te slikken.  Het soort waarbij je je ogen sluit en dan steun vragend omhoog kijkt in het duister, alsof er van daaruit ergens een antwoord moet komen. Het soort waarbij je je handen tot vuisten balt (onopvallend uiteraard) en je je nagels heel hard in je handpalmen drukt, zo hard dat er vier witte halve maantjes achterblijven op je huid.

Het aanboren van die poel van basisvertrouwen die vroeger – in het eerste tijdperk – ruim gevuld was, blijkt een veel moeilijkere opgave nu. Ik moet er dieper voor wroeten, wortels blootleggen die nog broos zijn en het daglicht schuwen.

Maar er zijn alvast twee lichtpuntjes. Ze heten Mona en Beau. Ze stralen zo’n intens vertrouwen uit, het onvoorwaardelijke geloof in de toekomst. Mona’s nieuwste ritueel als ze oma Ingrid ziet (mijn mama), is naast haar gaan staan, rug tegen rug, en vaststellen dat ze bijna even groot zijn. Ze is er nog niet uit of het oma is die krimpt of zijzelf die groeit of misschien wel allebei. Maar wat vaststaat is dat er een evolutie is. Dat de dingen vooruitgaan en veranderen.

Dat is het mooiste geschenk in dit derde tijdperk: we staan niet langer stil. Er is terug ruimte voor evolutie en groei. Uit de barsten in ons leven ontkiemt de hoop, een oneliner waarmee ik vaak mijn dichtbundel In de marge signeer. Nu is de tijd aangebroken om die hoop ten volle water en voeding te geven. Laat haar maar groeien en bloeien tot een prachtige bloem!

Het grote woord is eruit: Mona is GENEZEN! Het mag gezegd, geschreeuwd, gejubeld worden. Genezen, genezen, genezen. Wat een verlossend nieuws, wat een ontlading. Ein-de-lijk, na een rally van ruim twee jaar, maakt dokter Bordon met één simpele maar prachtige zin een einde aan de onzekerheid: “Ik heb alleen maar goed nieuws voor jullie!”

Mona krijgt 10 op 10 nog voor het schooljaar officieel begonnen is en dat is hoe dan ook de belangrijkste en beste score van haar hele leven. Dat we gelukkig zijn dekt lang de lading niet. Er zijn gewoon geen woorden voor dit gevoel, deze overweldigende emotie. Het besef is er, ik hoor de woorden, ik voel wat ze met me doen, langzaam sijpelt de betekenis ervan binnen. Als ze me vandaag zouden vragen hoe een wonder hoort te voelen, dit moet het zijn. Een wens die uitkomt, een diep gekoesterde hoop, een geworteld vertrouwen.

Niet te geloven dat we vandaag, 29 augustus 2018, al méér dan twee jaar verder zijn. Ik kan me erover blijven verwonderen, die ambiguïteit van tijd. Maar het is zo, ik kan mezelf wel duizend keer knijpen en dan nog staan we waar we staan, horen we wat we net gehoord hebben, voelen we dit nieuwe gevoel: overwinning. We hebben het beest overmeesterd. We hebben het niet alleen teruggedrongen in zijn hol maar het eruit verdreven, al zijn vurige koppen gekortwiekt en verbrijzeld om het voorgoed het zwijgen op te leggen.

Natuurlijk is er nog dat kleine stemmetje. Dat stemmetje dat aanmaant tot voorzichtigheid, tot gekruiste vingers en in diepe hoop gebogen hoofden. Dat stemmetje zal er misschien wel altijd zijn, het wordt een metgezel op de reis van ons leven. Misschien ook op de reis van haar leven, al hoop ik van niet. Als ik haar iets vanuit het diepst van mijn hart toewens, is het wel dat ze opnieuw vrij en onbezorgd kan zijn. Als kind, als puber, als jongvolwassene, als vrouw. Ik hoop dat ze nooit het gevoel heeft dat ze constant over haar schouder moet kijken, iets wat ik nog moet leren.

Want dat vandaag ook een oefening in loslaten is, wordt me meteen duidelijk als de dokter meedeelt dat Mona vanaf uiterlijk NU – dit eigenste moment – terug alles mag doen (alles wat we broer ook zouden laten doen, voegt ze er gniffelend aan toe).
“Oh, mama, dan gaan we vandaag nog zwemmen hé? Mag het, mama? Mag het? Toe?” Tja, wat zeg je dan, als moeder?
Juist, loslaten dus. En tegelijk genieten, van die proestende snoet in het water, van die gelukzalige blik in haar ogen bij het verorberen van twee spiegeleieren. Van het vooruitzicht van al ‘het verbodene’ dat nu met nog meer sprankel lonkt.

Loslaten en genieten, weer twee schijnbaar tegenstrijdige begrippen die wonderlijk ineenvloeien eens je het toelaat. Wat heb ik geluk met Mona en Beau als mijn leermeesters.

Het klopt wat ze zeggen over de laatste loodjes: en of ze wegen! Kev is net vertrokken met Mona naar het UZ Gent, tweede controle op rij bij dokter Bordon en nu maar duimen dat die neutrofielen terug de hoogte in zijn! Mona’s beenmerg is moe. Moe van de twee jaar durende strijd, van de vele chemobehandelingen en –pillen. Net als wij moe zijn van de hele rompslomp die met dit alles gepaard gaat. Twee jaar is niet niets, zelfs achteraf bekeken en met de vreemd tegenstrijdige vaststelling dat tijd een relatief begrip is en soms vlugger voorbij is dan je denkt.

Maar desalniettemin: twee jaar is niet niets. Méér nog, het is best lang om je staande te houden in een orkaan die je ganse leven overhoop haalt. In de eerste plaats voor Mona maar ook voor ons. Het centrum van onze hele wereld ligt onder vuur en wij kunnen alleen maar nederig meedraaien in deze mallemolen en vurig hopen dat hij de juiste richting blijft uitgaan. Het maakt me zo klein en bang. Terwijl het me op andere momenten net de kracht geeft om door te gaan. Om te vechten, net als Mona doet, met opgeheven hoofd en altijd die lieve, beloftevolle lach. Ze is een prachtmeid, mijn dochter. She rocks!

Ik kruis mijn vingers, al heb ik ergens onderweg het bijgeloof grotendeels afgezworen. Nog zo’n cliché dat blijkt te kloppen, dat extreme situaties je geloof op een helling zetten. Sommigen putten er troost uit, anderen zetten zich er net tegen af. Ik denk dat ik ergens een middenweg ben ingeslagen, waarbij ik steviger met mijn voeten in de aarde van dit leven sta, me bewuster ben van het feit dat het wel hier en nu is dat we onzelf waar moeten maken. De kracht van het geloof in ons eigen kunnen, als we het maar hard genoeg willen en in onszelf geloven.

“De grootste dromen beginnen vaak klein, als we ze maar waar maken”, het is niet voor niets één van mijn favoriete en meest gegeerde leuzes. Ergens wil iedereen er toch in geloven dat het kan, je dromen waar maken, hoe bedrieglijk klein ze ook beginnen?

En voor die zaken waar ik geen vat op heb, kruis ik dan toch in stilte mijn vingers. Je weet maar nooit. Ook het geluk kan wel eens een vingertje hulp gebruiken.

Het is grote vakantie en Beau slaapt al de ganse week tot na 9u00. Terwijl Mona voor de televisie lummelt – zij blijft een vroege vogel – maak ik alvast zijn ontbijt klaar voor straks, als hij nog warm van de slaap de trap afkomt en zich tevreden tegen me aandrukt. Wat een verschil met de jachtige schoolochtenden, wanneer alles volgens een vast schema verloopt en er weinig tijd rest voor knuffels en gelummel.

Vertragen. Het is een woord dat almaar vaker opduikt. In tijdschriften, reclamespots, interviews, workshops, noem maar op. Je zou het bijna een zegen kunnen noemen dat er dagelijks zoveel duizend kilometer file is, denk ik met enig leedvermaak. Dé ideale gelegenheid om te vertragen, zou je denken. Des te meer het verkeer vertraagt echter, des te broeieriger gaat het er binnenin ons hoofd aan toe. Verkeersagressie viert hoogtij, stoppen slaan door en menig hart slaat enkele tellen over in de ochtend- en avondspits.

Ik prijs mezelf gelukkig dat ik momenteel van thuis uit kan werken. Dat ik er écht kan zijn voor mijn kinderen, die me op dit ogenblik in hun leven het hardst nodig hebben. En ik hen, besef ik elke dag opnieuw. Want het is door hen dat ik mijn blik heb leren verruimen. Het is door wat we de afgelopen twee jaar hebben meegemaakt dat ik opnieuw heb leren vertragen. Als kind leef je nog in het moment, je bent je enkel bewust van het hier en nu en je probeert er alles uit te halen, zonder dat je het zelf beseft. Hoe mooi is dat? Waarom vergeten we als we ouder worden om het hier en nu te koesteren?

Ik betrap mezelf er zo vaak op dat ik vanaf het ogenblik dat ik mijn ogen open al plannen begin te maken: welke kleren ik ga aandoen, wat er op de boterhammen van de kinderen moet, wat er mee moet in de boekentassen, of ik nog moet stofzuigen of misschien toch beter morgen want vandaag moet ik nog naar de winkel en moet die belangrijke brief nog af en, en, en… Om dan nog maar te zwijgen over het afdwalen van mijn gedachten naar het weekend of de week erop of volgende maand wanneer we dat etentje hebben met vrienden en wat ik dan ook alweer kan klaarmaken om origineel uit de hoek te komen.

Ik hoor gestommel op de trap. De deur naar de woonkamer zwaait open en vliegt met een knal weer dicht door de luchtcirculatie van het openstaande schuifraam. Beau piept vrolijk om de hoek. Hij ziet er uitgeslapen uit. Met een tevreden glimlach op zijn snoet vlijt hij zich bij mij op schoot als ik neerhurk en hem een zoen op zijn voorhoofd geef. Ik houd me zo stil mogelijk en geniet ervan hoe we samen de tijd een halt toeroepen.

“Mm, choco!”, kirt hij, wanneer hij de boterham op zijn bordje ontwaart. In nog geen drie tellen zit hij aan tafel en smult van zijn brood. De wereld om hem heen herleid tot choco op een boterham. En de tijd om er intens van te genieten.