Lente 2.0

Er zijn dagen dat ik mij afvraag op welke manier het L-woord ons getekend heeft. Soms denk ik dat we er sterker uitgekomen zijn. Dat zijn de dagen dat ik hoopvol ben, wanneer ik erop vertrouw dat we uit die helse periode enkel het goede gedestilleerd hebben en dat we dat als stevige basis kunnen gebruiken om ons verdere leven uit te bouwen. Ongetwijfeld hebben we kracht geput uit dit alles. We zijn geconfronteerd met onze grenzen. Met de bodem van de put en op de één of andere manier zijn we erin geslaagd eruit te klauteren. We hebben ons schrap gezet, onze hielen tot diep in de smurrie geduwd en we zijn aan de lange en moeizame klim omhoog begonnen.

Maar er zijn ook dagen die gehuld zijn in een waas van weemoed. Een soort mist die al het vrolijke en fleurige overschaduwt. Dat zijn de dagen waarin ik mij afvraag hoe we door het L-woord gebrandmerkt zijn. Op welke manier het zich nog venijnig in ons leven probeert te wringen en het licht probeert te bannen uit die dingen waar we net weer wat plezier in vinden. Misschien moet ik vanuit de ik-persoon spreken, want dit is hoe ik het ervaar. En als ik iets geleerd heb op onze weg dan is het wel dat we niets ooit volledig op dezelfde manier beleven, laat staan verwerken.

Maar ze zijn er dus, die duistere dagen. Vaak weet ik aan het begin van zo’n dag niet hoe ik het einde ervan moet halen. En toch… Toch lukt het me, keer op keer. Want er is die ene gedachte die het allemaal de moeite waard maakt: we hebben het gehaald! We zíjn uit die put geklommen. Wat voor gedrocht er ook op ons pad gedropt wordt, ergens diep in onszelf huist een soort oerkracht om het te overwinnen. Om recht voor dat monster te gaan staan en het in het lelijke gezicht te zeggen: “Hier ben ik, ik laat me niet doen. Ik-wil-leven!”

Natuurlijk heb ook ik mijn eigen monsters en uiteraard heeft het L-woord nieuwe angsten gecreëerd. Een eenduidig antwoord op de vraag of we hier sterker zijn uitgekomen, is er misschien niet. Het is iets wat mensen beweren als je iets ergs hebt meegemaakt: what doesn’t kill you, makes you stronger. Er schuilt zeker waarheid in die leuze, in die zin dat je leert om krachtbronnen in jezelf aan te boren waar je anders het bestaan niet eens van zou hebben vermoed. Maar het blijft een gevaarlijke bewering, een cliché bijna. Want hoe goed het ook is te beseffen dat je over een soort innerlijke kracht beschikt, het feit dat je je ultieme reserves moet aanwenden om de situatie meester te kunnen, maakt dat je geconfronteerd wordt met de kwetsbaarheid van het leven. Op een bepaald moment ben je verplicht je grootste angst recht in de ogen te kijken en het gevecht aan te gaan wie als eerste zijn blik neerslaat. En dat hakt erin. Hoe je het ook draait of keert of een positieve wending tracht te geven, zoiets tekent je.

Gelukkig worden de dagen stilaan lichter, letterlijk en figuurlijk. En in dat licht probeer ik beverig los te laten. De controle, de angst, de herinneringen… Het is een proces van lange adem, dat besef is al heel wat. Om het met nog een cliché te benoemen: het zal tijd nodig hebben. Ook brandwonden genezen, al laten ze een blijvend spoor na. Ik vergelijk het met een deur naar een kamer uit ons leven. Een kamer waar we lang in opgesloten zaten. Een kamer die we intussen voetje voor voetje verlaten hebben, maar die er altijd zal zijn om ons eraan te herinneren dat onze wereld ooit beperkt was tot die krappe, enge ruimte. Het delen van lief en leed tussen vier muren, tussen vier paar ogen. Vaak kwam er wel iemand binnen maar niemand heeft er al die maanden 24u op 24u gewoond, behalve wijzelf.

Gelukkig is die kamer nu niet meer dan een aanwezigheid op de achtergrond. Het enige waar we nog vaak tegenaan lopen, is de gesloten deur. In het hout zitten merktekens: knoesten en nerven op de plaatsen waar het leven ons geraakt heeft in het diepst van onze ziel. We hebben de deur glad geschuurd, zorgvuldig opgepoetst en een beschermende vernislaag over het tere hout aangebracht. Maar ondanks al die ingrepen, blijven de schaduwplekken zichtbaar, de knoesten die het uiterlijk van de deur tekenen. De ruwheid is verdwenen, maar nooit helemaal vergeten.
Op donkere dagen laat ik mijn vingers over die plaatsen dwalen. Misschien is het tijd om die deur een likje verf te geven, denk ik dan. Een fris kleurtje, dat ons eraan herinnert dat het altijd terug lente wordt.

*Lente – 21 maart 2017

Het wordt lente, zegt ze. Buiten schijnt de zon behoedzaam.
In bomen en struiken ontluiken schuchtere twijgjes. Harde windvlagen
rukken aan broze takken – woelen wortels bloot, door winter overwoekerd.

 

Ze streelt haar pas geschoren huid, haar vingers licht gespreid.
Het kietelt, zegt ze. Mijn blik volgt de beweging van haar handen
– hoe ze de stoppels aait. Ze legt haar hoofd op mijn schouder,


laat het daar rusten.
In haar blik huizen jonge vogels, dromen die hun vleugels spreiden.
De hare groots en onverschrokken, de mijne kleiner – veilig geborgen.


Buiten wervelen dode bladeren in de wind – buigen zich
tot vraagteken. Ik druk een  glimlach op haar naakte kruin.
We zwijgen – lang.

Ja, zeg ik dan. Het wordt lente.

Geen reactie's

Geef een reactie