Routine

Ik scroll terug naar de laatste keer dat ik in mijn digitaal dagboek heb geschreven: vrijdag 20 maart, ruim twee maanden geleden. De episodes tussen twee stukken tekst worden langer, de emoties minder scherp. De tijd vijlt ze bij, omrandt de herinneringen met tolerantie in plaats van beklemming. Het is oké dat ze er zijn, meestal. Maar soms overvalt me nog eensklaps dat gevoel, die gapende afgrond. De kamer die plots rond me lijkt te tollen terwijl ik van duizelingwekkende hoogte naar beneden val, een leeg niemandsland tegemoet.

Onlangs nog, toen we op controle moesten bij de pediater – routinecontrole heet dat dan – en de dokter tussenin een telefoontje kreeg vanuit het labo. Iets over een afwijkend aantal bloedcellen en contact opnemen met dokter X in het UZ Gent, een oncologe op de kinderafdeling, zo wist ik. Het kostte me alle moeite van de wereld om mijn gezicht voor Mona in de plooi te houden. Om geruststellend naar haar te glimlachen. Na het telefoontje ging de dokter onverstoorbaar verder met het overlopen van Mona’s bloedresultaten op het computerscherm: alle waarden waren prima! Dat telefoontje ging niet over Mona. Het besef sijpelde druppelsgewijs binnen. Mijn handen trilden, de rest van het consult bleef ik die zin in stilte tegen mezelf herhalen, als een mantra. “Het ging niet over Mona.”
Beelden van die eerste dag schoten kriskras door mijn hoofd, flitsen van de rit naar Gent, van de kamer op 5K12D, de schaar dokters en verpleegsters rondom ons, allemaal met diezelfde vriendelijk bezorgde blik, ogen die al (te) veel hebben gezien. Witte jassen en de doordringende geur van medicatie en ontsmettingsmiddel, groene schorten en kapjes –  verplegend personeel uit het operatiekwartier (later door Mona en Beau ‘de kikkers’ gedoopt) – het onophoudelijke zoemen van de ventilatiemotor in dat benauwelijk kleine kamertje op isolatie…
“Het ging niet over Mona.” Intussen zijn we op de parking. We stappen in de wagen, Mona vooraan naast mij, grote meid, mijn prachtige tiener. De slagboom gaat open en we laten het ziekenhuis achter ons, samen met de schrikbeelden van een acuut met het heden verweven verleden.

Een paar weken geleden is het al, dit ‘voorval’, al dekt die term de intense lading van dat ogenblik niet. Ook dit onwerkelijk moment heb ik kunnen plaatsen, in de rij van dingen die nooit meer hetzelfde zullen zijn. Want hadden we dit niet meegemaakt, dan zou ik niet eens geweten hebben dat het woord dat de pediater gebruikte op een bepaald type bloedcellen duidde, laat staan dat ik wist wie dokter X in Gent was of dat die überhaupt op de afdeling kinderoncologie werkte en dat die afdeling een op zich vrij onschuldige naam heeft als 5K12D, waardoor je bijna zou verwachten in een ordinair klaslokaal binnen te wandelen in een vijf verdiepingen tellend schoolgebouw. We zouden natuurlijk al niet bij de pediater gezeten hebben voor een routinecontrole in de eerste plaats.
Ik weet wel dat dergelijke redeneringen in principe nergens toe leiden – het zijn alleen maar cirkeltjes in je hoofd – maar dat verhindert mijn geest er niet van om af en toe van die venijnige gedachtesprongetjes te maken. Alsof iemand geniepige kneepjes geeft in mijn hersenen, zomaar, omdat het kan.

Mijn perceptie op heel wat zaken in het leven is onlosmakelijk verbonden met wat we hebben meegemaakt, waarbij ik wil blijven benadrukken dat het natuurlijk Mona is die alles in volle intentie heeft ervaren. Jammer genoeg vanop de eerste rij, daar waar de klappen het hardst vallen en de weerklank het luidst is. Maar we hebben onze uiterste best gedaan om als een front voor haar te gaan staan, in de vuurlinie, en om onszelf als levend schild in de strijd te werpen. Dat besef ik nu meer dan ooit. En ook dat we daar niet zonder kleerscheuren of littekens vanaf gekomen zijn.
Vaak helpt het me net om alledaagse dingen te relativeren, al is het maar in die zin dat ik ze wat vaker tegen het licht van het gebeurde houd en dan tot mijn opluchting besef dat ze lang zo bedreigend niet zijn.
Maar een zeldzame keer keert het zich dus ook tegen mij, wanneer de angst als in een spiegel keihard naar mij terugkaatst en ik mezelf ervan moet overtuigen dat het allemaal voorbij is, nu. Wat blijft is de herinnering, mentaal en lichamelijk.
Dat laatste viel me maar weer eens op toen ik gisteren wakker werd met verkrampte schouders, mijn armen over mijn borst gekruist, in foetushouding. Het voelde alsof ik een ganse nacht gevochten had, mijn armen als een afwerend schild voor me, tegen de kwaadaardige buitenwereld. Maar hoe langer ik erover nadacht, hoe meer ik besefte dat het net de omgekeerde beweging was. Dat ik mijzelf in een soort verstikkende omhelzing gevangen hield om te voorkomen dat alles naar buiten zou vloeien. De angst, het verdriet, de pijn, de wat-als gedachten. En dat terwijl ik dacht dat ik op dat vlak toch wel goed bezig was, met loslaten.

Dat was dan ook de insteek waarmee ik vandaag beginnen schrijven ben. De intentie om een vervolg te breien aan dit dagboek, omdat de nood zich opeens terug laat voelen. Want dat leer ik gaandeweg. Het is niet omdat ik wil dat dit allemaal voorbij is, dat het ook daadwerkelijk zo is. Het zal nog af en toe in my face gesmeten worden. Als Mona last heeft van pijn aan haar been, als ze halverwege een fietstocht of wandeling klaagt dat ze moe is en ik mij afvraag of dat een gebrek aan volharding is of een gevolg van… Blauwe plekken die ik niet direct kan thuiswijzen, reportages op televisie of in een tijdschrift, een datum, een beeld, een geur, een opmerking…

Sommige dingen zitten nog diep vanbinnen, omhuld met zorgvuldige laagjes zelfbehoud, als plasticfolie om rauwe voedingswaren in de koelkast, omdat ze de andere zaken niet zouden bederven. Af en toe pulk ik zelf een verpakking open of valt er onverhoeds iets uit het koelvak en dan moet ik ermee aan de slag. Het terug opbergen is geen optie, want eens het aan de buitenlucht is blootgesteld, begint het te rotten.
Dus neem ik mij voor om mijzelf nog steeds – af en toe – te omhelzen, bewust ditmaal. Mijn armen kruiselings om mij heen te slaan en een kneepje te geven in mijn beide schouders als om te zeggen: het is goed zo. Laat het nu maar los. Laat mij nu maar los.

2 Reactie's
  • Jan Vandenabeele
    Geplaatst op 08:00h, 29 mei Beantwoorden

    Met veel intense gevoelens van medeleven heb ik je blog gelezen .
    Zoveel sterke gevoelens komen hier naar buiten. Gelukkig is er het besef dat je ze niet meer mag opsluiten éénmaal je ze aan het licht hebt blootgesteld.
    Jouw kracht zit volgens mijn aanvoelen in de dosering waarmee je niet alles in zijn geheel loslaat.
    De gevoelens en gebeurtenissen die je meemaakt zijn echt confronterend voor jezelf en geen situaties waarin je jezelf blijft wentelen.
    Daarom zijn ze ook zo verborgen in een privaat kamertje dat je slechts mondjesmaat wil delen.

    Ik merk de angst om ze los te laten omdat je niet weet wat er in de plaats komt !

    Ik hoop dat het zinvol loslaten zijn ook deel gaat uitmaken van de nieuwe persoon die je aan het vormen bent.
    Mijn diepste wens is dat hierdoor ruimte vrij komt voor een ontspannende omgang en ontlaste gevoelens tav Mona .

    We mogen ons gelukkig prijzen dat het genezingsproces voor allen die er van dichtbij bij betrokken zijn een positieve wending met een goed perspectief naar een gelukkige toekomst kent.

  • Ingrid Iserentant
    Geplaatst op 08:05h, 29 mei Beantwoorden

    Wat een prachtige, emotioneel geladen blog! Ik las onlangs in een boek dat” de menselijke geest als een caleidoscoop is van miljoenen kleine spiegels, waar sommige oppervlakten nooit de kans krijgen om te glanzen, maar steeds in de duisternis gehuld blijven, waar niemand ze ziet.” Maar alleen dank zij het duister kan je de waarde van het licht inschatten.
    Loslaten en jezelf omhelzen zijn een heel goede therapie om dit alles af te sluiten.Je bent heel goed bezig.

Geef een reactie